Vogelvoer in je rugtas

kruipt achter het aanrecht en leert er haar moeder beter kennen. Afl. 13 (slot)
Foto Wai Chan en Getty Images

Marokko heeft een niet uit te leggen aantrekkingskracht op me. Iedere keer dat ik er ben – en dat is vaak – besluit ik dat het voorlopig mijn laatste reis is. Het is er ongeorganiseerd, de laisser-fairehouding van mijn familie staat in schril contrast met hoe Hollands ik eigenlijk ben. Ik ben altijd krampachtig op zoek naar structuur en overzicht, in een land dat zich beweegt en vormt naar de natuurlijke omgeving, met onvermijdelijke botsingen en frustratiemomenten tot gevolg. En toch, zodra ik weer voet zet in Nederland begint de organisatie voor de volgende reis stiekem in mijn hoofd. Zelfs nu het door corona eigenlijk niet mogelijk is.

„Wat zou je ervan vinden als ik een marathon door de Sahara zou rennen?” vraag ik mijn moeder. Ze zit op haar nieuwe loungebank in de tuin vogels te voeren. De gemeente heeft aan het begin van het jaar zes vogelhuisjes aan de wand van haar woning bevestigd, sindsdien vliegen mussen en vinken af en aan. Het zijn inmiddels haar huisdieren, ze vertroetelt ze met vogelvoer en vers brood. „Wat een wonderbaarlijke dieren zijn het toch, ze komen zo dichtbij.” Ze gunt zichzelf de ruimte om me te negeren.

„De Marathon des Sables”, ga ik door. Ze kijkt kort op met een ‘hebben we haar weer’-blik en blijft stukjes brood plukken. Het is dezelfde blik die ze had toen ik me voor het eerst inschreef voor een hele marathon. „Eigenlijk is het 250 kilometer verdeeld over zeven dagen”, vervolg ik. „Door het gebied waar onze voorouders ooit doorheen zijn getrokken, voordat ze aan de kust gingen wonen.”

Een glimlach. „Waarom wil je jezelf zo graag martelen? Als je zo graag een offer wil brengen, kun je balletjes van de kefta voor in de tajine draaien.” Op mijn verzoek eten we – voor deze ene keer vlees – gehaktballetjes met in tomatensaus gegaarde eitjes. De laatste keer dat ik dat at, was jaren geleden nadat mijn man en ik compleet onvoorbereid de hoogste berg van Noord-Afrika, de Toubkal hadden beklommen.

Het is misschien wel het grootste verschil tussen mijn moeder en mij. De offers die zij heeft gebracht in haar leven werden geboren uit noodzaak. Het verhuizen van Marokko naar Nederland, zich vestigen in een land dat haar lang niet altijd zou accepteren, haar kinderen en kleinkinderen zien opgroeien met een verwaterde versie van haar Marokkaanse cultuur. Wel thuis zijn in Nederland, maar zich niet altijd thuis voelen. Ik daarentegen vind het al heel wat als ik tien kilometer onder het uur heb gelopen.

„Wat ga je in de Sahara eten?” vraagt ze. „Deelnemers moeten hun eigen eten meenemen in hun rugtas”, antwoord ik. Weer die glimlach. „Ah, vogelvoer.”