De ideeën over de afkomst van de mens zijn niet langer stabiel

Menselijke evolutie Lange tijd werd gedacht dat de moderne mens in Oost-Afrika was ontstaan. Maar inmiddels ligt alles weer open.

Menselijke evolutie verandert voortdurend – althans de kennis ervan. Veertig jaar geleden was de neanderthaler nog een bruut, de primitieve voorouder van Homo sapiens, de moderne ‘wijze mens’. Nu geldt die neander als bijna even slim en is hij zelfs volle neef geworden: geen voorouder maar een zijtak en tijdgenoot.

De nieuwste wending in het evolutionaire denken gaat over de oorsprong van Homo sapiens zelf. Dat is de huidige mensensoort, nu zeven miljard in getal, en sinds 35.000 jaar ook het enig overgebleven lid van het geslacht Homo. De afgelopen twintig jaar waren de ideeën over onze afkomst stabiel. Je kon het verhaal in één zin vertellen: ‘Rond 200.000 jaar geleden ontstond in Oost-Afrika uit Homo heidelbergensis de moderne mens.’

Maar een veel oudere sapiens-schedel in Marokko (Jebel Irhoud) in 2017 heeft dat verhaal opengebroken. Ook belangrijk is dat nu uit dna-onderzoek blijkt dat de diepste vertakkingen binnen de huidige wereldbevolking veel verder teruggaan dan die oude, vertrouwde 200.000 jaar.

„Ik zie nu een begin rond 600.000 jaar geleden waarna sapiens-lijnen geleidelijk hun moderne trekken verkrijgen, tot rond 200.000 jaar geleden de moderne bouw compleet is”, zegt antropoloog Chris Stringer (Natural History Museum London) peinzend. Archeoloog en antropoloog Jean-Jacques Hublin (Max Planck Institut Leipzig en Universiteit Leiden) gaat veel verder: „Wij mensen zijn veel te dol op het trekken van lijnen tussen ons en ‘anderen’. Ieder mogelijk verschil van onze vermeende voorouder met anderen wordt overdreven. In werkelijkheid is er sprake van een heel geleidelijk proces: er is géén magisch punt waarop er ineens een complete sapiens is.”

300.000 jaar oude Homo sapiens-schedel uit Jebel Irhoud, Marokko.

Beeld Sarah Freidline / Philipp Gunz, MPI-EVA

En archeoloog Wil Roebroeks (Universiteit Leiden) is gefascineerd geraakt door het ‘draaipunt’ 300.000 à 400.000 jaar geleden, ruwweg de tijd van die sapiens-schedel uit Marokko. „Het is allemaal nog speculatief hoor”, zegt hij, „maar ga na: precies in deze tijd ontstaat er voor het eerst in een miljoen jaar een echt nieuwe werktuigtechniek, het zogenoemde Levallois, we zien kampementen verschijnen waar mensen voedsel delen, en pas vanaf deze tijd wordt het vuur echt massaal gebruikt, over de gehele Oude Wereld.” Ook wijst Roebroeks op aanwijzingen voor zeer vroege interactie van sapiens met Euraziatische mensachtigen, onder meer in een nog niet officieel gepubliceerde dna-analyse. „Er wordt ook steeds ouder botmateriaal van sapiens buiten Afrika gevonden, 170.000 jaar oud en misschien – zeer omstreden - ook wel 210.000. Zoveel ontwikkelingen en contacten!”

Door elkaar geschud

Achteraf is het verrassend dat de oorsprong van Homo sapiens zo lang buiten schot is gebleven. Andere delen van de evolutionaire stamboom zijn de afgelopen twintig jaar al flink door elkaar geschud. Dat begon met de verbluffende vondst in 2004 van het dwergmensje Homo floresiensis. Deze ‘hobbit’, met de hersenomvang van een chimpansee maar wel in staat om redelijk geavanceerde werktuigen te maken, leefde nog op het eiland Flores toen de moderne mens zich al over de wereld verspreidde. Niemand had zoiets verwacht, voortaan was alles mogelijk in de menselijke evolutie, zo leek het in 2004.

En alles wás ook mogelijk. Vorig jaar werd nóg een nieuwe dwergmens ontdekt: Homo luzonensis in Azië. En in Zuid-Afrika bleek relatief recent (300.000 jaar geleden) volkomen onverwacht de primitieveHomo naledi te hebben geleefd. En, haast even revolutionair als de Floresmens: uit analyse van neanderthal-dna bleek dat de neanderthaler zich (100.000 à 60.000 jaar geleden) in Eurazië genetisch had vermengd met de moderne mens. Buiten Afrika is daarom nu vrijwel iedereen nog steeds voor een paar procent ‘neander’. En ook die neanderthalers bleken weer naaste familie te hebben: de denisovamensen, die zich in Azië óók al vermengde met sapiens.

Maar de oorsprong van Homo sapiens bleef onaangeroerd, misschien wel omdat er eind vorige eeuw juist een felle wetenschappelijke strijd over was beëindigd. Voordien meenden veel wetenschappers dat onze soort in heel Eurazië en Afrika tégelijk was ontstaan. ‘Multiregionaal’, over een periode van vele honderdduizenden jaren, uit primitievere menssoorten met namen als Pekingmens, Javamens, Rhodesië-mens, enzovoorts (in feite allemaal Homo erectus).

Maar de andere verklaring (één oorsprong in Afrika, 100.000 tot 200.000 jaar geleden) was in het begin van 21ste eeuw de consensus geworden. De standaardversie van dat Recent Out of Africa-model ging als volgt. Zo rond 200.000 jaar geleden verschenen in Oost-Afrika de eerste echt moderne mensen met hun graciele lichamen, een bekken om mee hard te lopen en natuurlijk dat typerende bolle hoofd, de opvallende kin en het smalle gezicht. Die eerste sapiensen (met Ethiopische fossielen uit Omo, 200.000 jaar oud, en Herto, 160.000 jaar oud) waren weer voortgekomen uit onze gemeenschappelijke voorouder met de neanderthaler: Homo heidelbergensis. En die voorouder was rond 600.000 jaar geleden voortgekomen uit Homo erectus. Een glasheldere lijn.

Maar natuurlijk bleef die consensus niet in stand. De grootste klap werd drie jaar geleden uitgedeeld door nieuwe dateringen en opgravingen in Jebel Irhoud, Marokko. Een daar al eerder gevonden ongewone schedel, van een echte sapiens maar zónder de karakteristieke schedeldakbolling, bleek 315.000 jaar oud, en dát op vele duizenden kilometers van de traditionele geboorteplaats van sapiens in Oost-Afrika. Eén geboorteplaats van sapiens is dan niet langer aan de orde.

„Dat hele idee van een geboorteplaats in Oost-Afrika was ook gebaseerd op gebrek aan kennis over de rest van Afrika” zegt de archeoloog Jean-Jacques Hublin. Hij is een van de onderzoekers van Jebel Irhoud.

Typische bolle schedel

Een verdedigingslinie voor de oude theorie had nog kunnen zijn om de Jebel Irhoud-schedel buiten de ‘echte’ sapienslijn te houden. Want waar is de typische bolle sapiensschedel? Deze schedel is ‘archaïsch’ plat. Maar het sapiensschap was onomstreden. Terecht, vindt Hublin. „Zijn tanden, zijn kaak en zijn aangezicht vind je alleen maar bij sapiens.” Zo’n ‘mozaïek’ is normaal vindt Hublin. „Het was een langdurig proces van aanwas van sapienskenmerken. Neem dat bijzondere grote brein van ons. In werkelijkheid is er al sinds 1 miljoen jaar geleden sprake van een duidelijke toename van hersenvolume in Homo. Rond 300.000 jaar geleden is 1.400 cc heel normaal – ons huidige gemiddelde. Maar er is ook een evolutie naar een andere interne organisatie, met een groter cerebellum en een grotere pariëtaalkwab. Waar leg je dan het breekpunt?”

Hublin ziet geen rechte lijn: „In de loop der tijd ontwikkelt zich een wolk van sapiens-kenmerken die per individu of subpopulatie kunnen verschillen. Vandaar dat je zo veel ‘archaïsche’ vormen ziet. Pas 100.000 à 45.000 jaar geleden komen die kenmerken dan ongeveer bij elkaar tot onze huidige vorm. En hoe dat allemaal precies is gelopen, wéten we gewoon niet. Er zijn bar weinig fossielen en het warme Afrika levert ook weinig oud dna op. Het is alsof we over de hele klassieke geschiedenis van Grieken en Romeinen alleen maar opgravingen uit Noord-Duitsland zouden hebben.”

Er bestonden al genoeg complicaties voor het oude verhaal, schampert Hublin. „Al sinds 2010 is bijvoorbeeld het genoom van de neanderthaler bekend. Als je dan genetisch gaat terugrekenen, kom je pas rond 600.000, 700.000 jaar geleden een gemeenschappelijke voorouder tegen van neanderthaler en moderne mensen. Waar blijf je dan met je Homo heidelbergensis als oorsprong van beide? Geen enkel heidelbergensis-fossiel is ouder dan die splitsing. Er moet dus iets anders zijn geweest tussen Homo sapiens en Homo erectus, die veel primitiever was en veel verder terug leefde. Wie zijn die voorouders?”

„Heidelbergensis is zijn centrale rol kwijt” zegt ook Chris Stringer van het Londense Natural History Museum. Stringer is al decennia betrokken bij het onderzoek naar de evolutie van sapiens en vooral de neanderthaler. Ooit was hij een van de belangrijkste strijders tegen het multiregionalisme, en voor het ontstaan van sapiens op één plek in Afrika. Stringer is al over de zeventig, „maar dit is geen tijd voor pensionering. Er is zoveel in beweging. Nu ben ik juist weer voorstander van multiregionalisme in Afrika!”

En dat lijkt het nieuwe beeld te worden, zoals ook Hublin het al schetste: over een vrij lange periode ontstaan in verschillende delen van Afrika allerlei kenmerken die bij elkáár genomen ‘typisch sapiens’ zijn, maar lang niet altijd in één fossiel samenkomen.

Primitief smal gezicht

Stringer noemt nog een reden waarom de afstamming van Heidelbergensis erg onwaarschijnlijk is. Een belangrijk kenmerk van sapiens is het smalle aangezicht dankzij de relatief kleine bovenkaak en jukbeenderen. „Bij Heidelbergensis zijn die breed, net als nog sterker bij de neanderthaler. Altijd is dus gedacht: het smalle gezicht van Homo sapiens is een verdere ontwikkeling. Maar nou komt het: Homo antecessor, 800.000 jaar oud, die bijna dertig jaar geleden werd gevonden in Spanje, heeft óók zo’n smal gezicht. Je kunt je afvragen wat de primitieve vorm is. Ik denk: het sapiensgezicht is primitief. En dat brede gezicht van Heidelbergensis en de neanderthaler is de nieuwe ontwikkeling.”

Alles is weer open. Stringer: „Ik kijk nu met heel andere ogen naar Afrikaanse schedels als van Ndutu, uit Tanzania, misschien wel 500.000 jaar oud, maar wél met een smal gezicht. En er is die schedel uit Iwo Eleru, Nigeria, véél jonger, 13.000 jaar en duidelijk modern, maar met verrassend primitieve kenmerken, zoals een platte schedel. Wat missen we hier aan variatie bij Homo sapiens, ook zo laat nog? Allerlei subpopulaties zijn verdwenen.”

En in hoeverre mag je nog wel spreken van aparte soorten, vraagt Roebroeks zich af. „Neanderthalers, denisoviërs én Homo sapiens kan je ook als subpopulaties zien binnen één grote metapopulatie. Zo spreekt ook de paleo-dna-pionier Svante Pääbo erover. En de archeologie suggereert dat binnen die hele ‘metapopulatie’ niet alleen genen maar ook ideeën werden uitgewisseld, zoals het gebruik van vuur vanaf 400.000 jaar geleden en de Levalloistechniek vanaf 350.000 jaar geleden. Sowieso is het archeologisch zichtbare gedrag van neanderthalers en sapiens zeer vergelijkbaar in deze periode, hoe verschillend ook hun schedels en verdere anatomie mogen zijn. Bij de látere sapiens, na 40.000 jaar geleden, ontstaan er wel grote verschillen.”

Veel verder terug

Dat de oorsprong van onze soort dus veel verder teruggaat dan de traditionele 200.000 jaar, wordt ook duidelijk uit recent dna-onderzoek. De mensen die nu buiten Afrika leven, stammen waarschijnlijk af van groepen die 70.000 tot 50.000 jaar geleden Afrika verlieten en via het Midden-Oosten uitwaaierden. Maar binnen Afrika gaan de verschillen verder terug. Met behulp van onder meer dna uit Zuid-Afrikaanse botten van 2.000 jaar oud kon bijvoorbeeld in 2017 worden berekend dat de voorouders van de laatste nog levende jagers-verzamelaars in Zuidelijk Afrika (de Khoisan) zich rond 350.000 à 250.000 jaar geleden hebben afgesplitst van de ‘hoofdgroep’. Volgens diezelfde genetische berekeningen gaat de herkomst van de Centraal-Afrikaanse jagers-verzamelaars (de pygmeeën als de Aka en Mbuti) ruim 200.000 jaar terug.

Het gaat bij dit soort splitsingen overigens altijd om de grote lijn, zuivere bevolkingen bestaan niet, volkomen isolement evenmin: er is altijd bijmenging. Of anders gezegd: seks met de buren. In het 2017 werd bijvoorbeeld geschat dat bij de huidige Khoisan de genetische invloed van Oost-Afrikanen, Aziaten en Europeanen tussen de 9 en 30 procent ligt.

Diepe ‘kloven’

Recentere analyses van de Afrikaanse genetica bevestigen deze diepe ‘kloven’. Vaak duiken daarin ‘spoken’ op: genetische invloeden van populaties die niet meer bestaan. Sommige zijn inmiddels verdwenen sapiensgroepen zoals de ‘Ghost modern’-invloed die dit jaar werd gevonden. De groep waarvan dit ‘spook’ het laatste spoor vormt, is waarschijnlijk 200.000 jaar geleden afgesplitst.

Opzienbarender is dat in de nieuwste dna-analyses ook regelmatig een ‘Ghost archaic’ opduikt, een spoor van een – op het dna afgaand – niet-sapiens mensachtige. Eerder dit jaar dook zo’n ‘oud spook’ op als een bijmenging van een paar procent in de stamboom van West-Afrikanen. En in een andere analyse van dit jaar, kon 2 tot 19 procent van West-Afrikaans dna worden toegewezen aan een ‘archaïsche’ populatie die al was afgesplitst toen de voorouders van sapiens en neanderthalers nog tot één bevolking behoorden, dus langer dan 700.000 jaar geleden. Wie waren dat nu weer?

Die superoude bijmenging werpt een heel ander licht op de relatief jonge Afrikaanse schedels, zoals die van Iwo Eleru: met een verrassend plat hoofd of ongewoon grote wenkbrauwbogen. ‘Echt’ sapiens? Of nakomelingen van hybridisering met andere, oudere mensensoorten? Of is daar toch niet zoveel verschil tussen?

Lees ook: Typisch Homo sapiens (2003)