Recensie

Recensie

Waarom was deze D66’er zo’n tragische intellectueel?

Nederlandse politiek Hans Gruijters was de enige D66’er in het kabinet-Den Uyl. Vlijmscherp, horkerig en excentriek. Een biografie probeert het fenomeen Gruijters nu te verklaren.

1974: Hans Gruijters als minister in een helikopter.
1974: Hans Gruijters als minister in een helikopter. Foto Rob Mieremet/Anefo/Nationaal Archief

Nadat de gemeenteraad van Lelystad in 1980 Hans Gruijters als eerste burgemeester had geïnstalleerd vroeg gemeentesecretaris Jan Lindhout zijn pas benoemde baas of hij misschien een rondleiding wilde over de afdelingen van het gemeentehuis. Gruijters dacht even na en zei toen: „Ja, dat wil ik wel, want daarna kom ik er nooit meer.” En inderdaad, hij is er ook nooit meer gekomen in de zestien jaar dat hij burgemeester was van Lelystad, de jonge gemeente in de Flevopolder die in zijn tijd uitgroeide van 40.000 naar 60.000 inwoners.

Deze houding was de in 2005 overleden Hans Gruijters ten voeten uit. Niet iemand die de moeite nam geliefd te worden. Horkerig en bot zijn de trefwoorden die vastgekleefd zitten aan de naam van de man die in 1966 behoorde tot de oprichters van D’66 en in het kabinet Den Uyl de enige ministerspost van die partij bekleedde. Hij wist het van zichzelf. „Ik wek nu eenmaal weerstanden. Laat ik het maar gewoon zeggen: ze vinden mij weinig aangenaam”, zei hij eens in een interview.

Tot zijn pensioen in 1996 was hij burgemeester van Lelystad. Jaren die vooral gemengde gevoelens opleverden. In het trappenhuis van de gemeente hangt een met zwart krijt getekend portret van Gruijters: een voorstudie voor een schilderij. Maar dat schilderij hoefde er niet meer te komen van de gemeente. De zwart-wittinten van de schets waren voldoende. ‘Het lijkt welhaast symbolisch’, concludeert Gruijters’ biograaf Klaas Tammes in zijn boek Een verdwaalde intellectueel. ‘De herinnering aan de eerste burgemeester van Lelystad is vervaagd in een schets aan de wand. Lelystad herinnert zich Hans Gruijters nog hoofdzakelijk in zwart-wittinten.’

Klopt dat gepolariseerde beeld, wilde Tammes weten. De auteur, zelf oud-burgemeester, lijkt gefascineerd door eigenzinnige bestuurders. Eerder publiceerde hij een biografie over Louis ridder van Rappard, in de vorige eeuw decennialang burgemeester van Gorinchem en in de jaren zestig met zijn pleidooien voor orde en fatsoen het geluid van behoudend Nederland.

Tammes’ nieuwe onderwerp, Hans Gruijters, is moeilijk in een mal te passen. Hij was lastig en onvoorspelbaar voor zijn omgeving, maar ook voor zichzelf. En dat al zijn hele leven. Het karakter van de persoon Gruijters stond de prestaties – die er zeker ook waren – van de bestuurder Gruijters in de weg. Dat is het beeld dat uit de handzame biografie naar voren komt.

Hij had na zijn ministerschap carrière-technisch nog zoveel meer gekund, maar het werd en het bleef het burgemeesterschap van Lelystad. Zelfs de post van Commissaris der Koningin van de provincie Flevoland, waarop hij had gehoopt en waarvoor hij ook de beste papieren leek te hebben, werd hem hardhandig door de neus geboord. Het leidde bij Gruijters tot verdere verbittering en nog meer troost in de drank.

Zoektocht

De zoektocht van Tammes naar de achtergronden en drijfveren van Gruijters voert langs de bekende maar desondanks al weer bijna vergeten wegen. Het brengt de lezer terug naar een inmiddels totaal andere tijd waarin ministers tijdens het kabinetsberaad gewoon in slaap vielen. Of hij het slapende hoofd van collega Jan Pronk weer op diens eigen vloeiblad mocht leggen, zou Gruijters, minister van Volkshuisvesting, volgens de overlevering aan minister-president Den Uyl hebben gevraagd.

De herinnering aan Gruijters is een herinnering aan de vele anekdotes over Gruijters. Ze komen bijna allemaal langs in het boek. Hetzelfde geldt voor zijn legendarische en soms vlijmscherpe opmerkingen. De man die bij voorkeur zonder papier sprak kon heer en meester zijn in het debat. Maar waarom was die intellectueel zo begaafde man tevens zo’n onmogelijke man?

Volgens Tammes bestond er wel degelijk ook een andere Gruijters die warmte kon tonen en belangstellend was. ‘Hij was hartelijk en gezellig voor de mensen op wie hij gesteld was’, schrijft hij. Maar dan zou getuige het algemeen bestaande beeld over Gruijters de conclusie moeten zijn dat die kring uiterst beperkt was.

Wat het leven voor Gruijters ook niet makkelijk maakte was diens aanhoudende zorg voor zijn aan de alcohol verslaafde vrouw Jenny. Het zijn vooral de passages die Tammes hieraan wijdt die Gruijters menselijk maken.

Maar voor de rest komt Tammes er niet uit. Hét antwoord bestaat waarschijnlijk ook niet. Een verdwaalde intellectueel noemt Tammes hem. Verdwaald was Gruijters zeker. Maar bovenal was hij een tragische intellectueel.