Opinie

Pretpark

Marcel van Roosmalen

Op Tweede Pinksterdag stonden we als groep-Van Roosmalen het noodlot te tarten in pretpark Tivoli. We verbleven een paar dagen in Nijmegen en we waren niet alleen gekomen om naar mijn moeder te zwaaien. Het online reserveren de avond ervoor was tot mijn verrassing gelukt, maar eenmaal ter plekke begreep ik wel weer waarom er nog plaatsen waren. Het is niet de eredivisie van de pretparken, hooguit misschien RKC Waalwijk.

We waren met 250, dat kon makkelijk, was uit een dagje proefdraaien gebleken. We werden samengedreven op de binnenplaats waar twee mascottes steeds weer hetzelfde welkomstlied voor ons bleven zingen, dat steeds werd onderbroken door omgeroepen dienstmededelingen waarnaar we moesten luisteren. We waren dan wel met minder dan normaal, maar dat betekende niet we minder lang moesten wachten. Alles duurde juist wat langer in verband met de verplichte reiniging. Na ieder ritje werd de hele zaak ontsmet door personeelsleden met een plantenspuit en een lap. Ook de karretjes die veiligheidshalve werden leeg gelaten.

De andere mensen zagen eruit alsof ze alles altijd lijdzaam ondergaan, alsof er op een vrije dag geen andere optie is dan een pretpark. Maar dat konden ze natuurlijk ook van ons denken, ik was al uitgeblust voor het vuur was aangestoken.

Onze kinderen niet.

Die waren, een betere uitdrukking weet ik niet, ‘door het dolle’. Ze konden niet wachten tot het begon en renden achter elkaar aan van opwinding. Het deed denken aan een hond die achter zijn eigen staart aan rent.

Een vrouw herkende me omdat ik weleens op televisie ben geweest, ze moest en zou met me op de foto. „Hoho, anderhalve meter”, zei ik, maar toen had ik al een arm om mijn nek.

Ze zei: „Corona kan van mij een hele vette middelvinger krijgen.”

Het bekende patroon.

Na vijf attracties en vijf keer in de rij waren we kapot, alleen roken we nu ook nog naar schoonmaakmiddel. Het eindigde bij het springkussen, waar alle kinderen die al die tijd zorgvuldig van elkaar waren gescheiden in een grote kluwen bacteriën uitwisselden.

Bij de uitgang stond een kunststof tafel met desinfecterende gel.

Het had iets ontroerends.

Dat kon er na een middag amateurtoneel ook nog wel bij. We reinigden onze handen en liepen daarna naar onze fietsen in het bos. De moeder na ons zei dat het aan God was en dat iedereen qua regels zijn best had gedaan en dat ze daar vrolijk van werd.

Ze zei: „Ik trek een tevreden gezicht.”

Ik geloof dat ik dat het treurigst vond.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.