Hoelang kun jij het deze crisis nog uitzingen?

Pandemiepost Het coronavirus raakt alle wereldburgers, maar niet iedereen wordt even hard door de crisis getroffen. Om de impact van de pandemie te laten zien, volgen correspondenten en verslaggevers van NRC iemand in hun regio. Hun bijzondere verhalen leest u in de serie Pandemiepost. In deze eerste aflevering vertellen deelnemers hoe de crisis henzelf en hun omgeving financieel raakt.

Rosilene (Rosi) de Souza, schoonmaakster in Rio de Janeiro, Brazilië.
Rosilene (Rosi) de Souza, schoonmaakster in Rio de Janeiro, Brazilië. Foto Pilar Olivares

Ramazan Bagriyanik - water- en gasleverancier in Adana, Zuid-Turkije

‘Ik kook zelf de lunch voor mijn personeel’

Ramazan Bagriyanik (56) is blij dat hij kan blijven werken tijdens de corona-epidemie. Hij heeft een bedrijfje met vijftien werknemers dat water en gas verkoopt in de Zuid-Turkse stad Adana. De overheid heeft het bedrijf aangemerkt als een ‘essentiële dienst’. Dus rijden zijn medewerkers de hele dag door de stad om grote flessen water en gas bij mensen thuis te brengen. De handel in water en gas is een competitieve markt in Adana, de marges zijn klein. „Het is geen vetpot, maar ik ben blij dat ik brood op de plank heb”, zegt Bagriyanik. Hij kent veel mensen die moeite hebben hun hoofd boven water te houden. „Ik heb onlangs een Syrische jongen aan een werkvergunning geholpen zodat hij kan overleven tijdens de epidemie.” Het bedrijf heeft ook de prijs van kleine flessen water verlaagd zodat mensen ze kunnen betalen tijdens de epidemie. „Mensen gebruiken meer water en gas omdat ze thuis zijn. Vooral kleine flessen zijn populair. Want grote flessen zijn zwaar en moeten door ons naar binnen worden getild. En mensen willen nu liever geen vreemden in huis.”

Bagriyanik komt zelf niet bij klanten thuis. Hij heeft een kantoortje in Adana, waar zijn medewerkers de hele dag in en uit lopen. Hij is bang dat ze het virus meenemen, want als ook maar één werknemer besmet blijkt, moet zijn bedrijf onmiddellijk de deuren sluiten. „Daar is Pinar [het merk water dat Bagriyanik verkoopt] erg strikt in.”

Het kantoor wordt eens per week door de gemeente gedesinfecteerd. En het bedrijf krijgt maskers en andere uitrusting voor huisbezoeken. Daarbij probeert Bagriyanik zelf het goede voorbeeld te geven. „Ik ben de hele dag bezig om mijn kantoor schoon te houden. En ik kook elke middag de lunch voor mijn werknemers, zodat ze niet elders gaan eten met het risico besmet te worden.”

Toon Beemsterboer


Rosilene (Rosi) de Souza - schoonmaakster in Rio de Janeiro, Brazilië

‘Voor het eerst in mijn leven werk ik niet’

Voor het eerst sinds haar jeugdjaren werkt Rosi niet. Toen de coronacrisis half maart uitbrak, ging de crèche waar ze als schoonmaakster werkte, dicht. Sindsdien zit ze werkloos thuis, met haar 29-jarige zoon Eduardo, en overleeft voornamelijk dankzij giften. „Ik kom uit een arm gezin en ben opgegroeid in deze wijk, in dit huisje. Als kind bracht ik vuilnis van de buren naar de stortplaats en kreeg dan wat centen of een bord eten.” Later begon ze schoonmaakwerk te doen voor rijke gezinnen of paste ze op hun kinderen. „Het is voor het eerst in mijn leven dat ik niet werk. Het maakt me niet alleen arm en wanhopig, maar door het thuiszitten ga ik malen en aan problemen denken, het maakt me gek.” Onder het bewind van oud-president Luiz ‘Lula’ da Silva lukte het Rosi net als veel andere arme Brazilianen omhoog te klimmen. Er kwamen gezinsuitkeringen voor de allerarmsten en een speciale kredietverlening voor lage inkomens.

„Ik ben opgegroeid met honger, ik weet hoe het voelt. De laatste paar decennia was er geen honger meer in Brazilië, mijn kinderen zijn zonder honger opgegroeid. Maar nu staar ik regelmatig naar een lege ijskast. Er worden voedselpakketten uitgedeeld in de wijk, maar ik denk: geef gezinnen met kleine kinderen eerst, zij hebben het harder nodig. Gelukkig krijg ik af en toe geld van gezinnen voor wie ik vroeger heb gewerkt, of ze sturen een voedselpakket.”

Foto Pilar Olivares

Voordat de coronacrisis uitbrak, had Rosi een kleine aanbetaling gedaan voor een stukje grond buiten de stad, niet ver van de plek waar haar dochter woont. „Het was altijd mijn droom. Een klein eigen huisje ver van de favela, buiten de stad. Na lang sparen lukte het een kleine aanbetaling te doen en maandelijks een deel af te lossen. Nu dreigt dit allemaal verloren te gaan. Dat dromen nu zo abrupt afgebroken worden, dat vind ik eigenlijk nog het ergste.”

Nina Jurna


Eduardo Muñoz - bierverkoper in Madrid, Spanje

‘Door de lockdown trok de online bierverkoop juist aan’

Na vijf turbulente jaren had Eduardo Muñoz toevallig net pas op de plaats gemaakt om zich te bezinnen op een nieuwe toekomst, toen Spanje half maart plat kwam te liggen door de coronacrisis. Achteraf bezien een geluk bij een ongeluk. „Ik had besloten om mijn winkel met speciaal bier te sluiten en online verder te gaan”, vertelt hij via een videogesprek. „Door de lockdown trok de verkoop via internet juist aan. Dus geheel onverwachts levert deze crisis mij extra geld op”, vertelt hij. Muñoz wil echter alles behalve de indruk wekken dat het hem ineens voor de wind gaat. De arbeiderszoon uit de Madrileense volksbuurt Vallecas komt uit een rood nest en zal zijn achtergrond nooit verloochenen. „Als we het zuinig aan doen, dan hebben we samen genoeg aan zo’n 1.400 euro per maand. En als we ons zelf iets meer veroorloven geven we maximaal 2.000 euro uit”, vertelt Muñoz. „Maar ik ben ook niet iemand van dure telefoons of luxe. En we hebben ook niet de kosten van kinderen.” Net als veel generatiegenoten heeft hij er deels uit financiële redenen voor gekozen nog niet aan kinderen te beginnen. Vijf jaar geleden woonde hij als afgestudeerd pedagoog en kunsthistoricus nog noodgedwongen bij zijn ouders. Er was simpelweg geen werk voor hem in Madrid. Met de hulp van zijn vader begon hij samen met zijn broer de bierwinkel Espuma. „Dat idee werd uit nood geboren door de vorige crisis”, legt hij uit. „De investering leverde voldoende op, maar was uiteindelijk toch niet wat ik wilde.”

Muñoz had zich naast de online verkoop van bier op een nieuwe studie willen richten met als doel toch les te gaan geven. De coronacrisis gaf hem opeens tijd om te reflecteren.

Muñoz verloor zijn 83-jarige oma eind maart door Covid-19. Ze overleed net als duizenden anderen Madrilenen in een van de vele besmette bejaardentehuizen. Er was niemand bij haar. De begrafenis duurde amper tien minuten. Alleen zijn ouders en een oom mochten daarbij aanwezig zijn. „Dan ga je het leven wel relativeren”, zegt hij. „De onverwachte dood van mijn oma zorgde voor veel woede en verdriet. Talloze gezinnen werden net zo getroffen als wij. Normaal gesproken overkomt het altijd een ander. Dit keer dus niet. ”

Koen Greven


Mostafiz Uddin - jeansfabrikant in Dhaka, Bangladesh

‘Niemand vertrouwt elkaar nog. Ik weet niet hoe ik dit volhou’

Mostafiz Uddin is op. Slapen lukte hem al ruim twee maanden amper, door de stress is nu ook zijn bloeddruk veel te hoog. „Ik heb geen kracht meer”, schrijft Uddin via Whatsapp. Na weken van mailen, bellen en aankloppen – bij bank, ambassadecontacten en journalisten - is de eigenaar en oprichter van het 2.000 werknemers tellende Denim Expert niet alleen moedeloos, maar ook gesloopt. „Niemand helpt mij.” De coronacrisis heeft de textielindustrie in Bangladesh hard geraakt. In korte tijd annuleerden grote westerse modehuizen voor tientallen miljoenen dollars aan orders bij fabrikanten als Uddin. Sommigen weigerden te betalen voor kleding waarvan de productie al was begonnen of zelfs al afgerond – of anders alleen als er een fikse korting tegenover stond. „Het is gewoon chantage”, vertelde een wanhopige Uddin eind april aan NRC.

Door de lockdown in Bangladesh kwam het werk in zijn fabriek wekenlang stil te liggen en kwamen containers met goederen vast te staan in de haven. Al met al zijn klanten hem zo’n 10 miljoen dollar verschuldigd, zegt Uddin. Het bracht hem in de problemen bij zijn leveranciers, bij wie hij rekeningen had openstaan. „De hele keten is verstoord. Niemand vertrouwt elkaar nog.” Zijn werknemers zijn Uddins grootste zorg. De afgelopen maanden worstelde hij om hun salaris te betalen, ondanks een steunpakket van de Bengaalse regering. Vergeefs bestookte hij zijn niet-betalende klanten met telefoontjes en mails. Toen de banken weer opengingen, bracht hij uren door op hun kantoor. Maar een nieuwe lening wilden ze hem niet geven, claimt Uddin.

Vrienden en familieleden hielpen hem tot nu toe uit de brand. De een met een lening, de ander door Uddins huis in een middenklasse-buurt van Dhaka aan een kennis te verkopen. Die beloofde dat Uddin, zijn vrouw en twee kinderen het komende jaar nergens heen hoeven. Zelf ging Uddin onlangs terug naar de bank met goud van zijn vrouw en met de enveloppen vol euro’s en dollars die hij na zakenreizen thuis bewaarde. Gelukkig lieten niet al zijn klanten hem in de steek, zegt Uddin. „Sommigen hebben zelfs al nieuwe orders geplaatst.” Maar daarmee zijn de directe geldproblemen niet opgelost. In de textielindustrie worden fabrikanten pas betaald als de producten zijn verscheept – en dus gemaakt. „Van welk geld?”, vraagt Uddin. „Ik weet niet hoe ik dit kan volhouden.”

Eva Oude Elferink


Wayan Suantara - chauffeur, gids en bezorger op Bali, Indonesië

‘Mijn hersenen draaien op volle toeren’

Gelukkig is iedereen thuis gezond, vertelt de 40-jarige Wayan Suantara. En toch „draaien zijn hersenen continu op volle toeren”. Financieel hebben hij, zijn vrouw en twee dochters het moeilijk. Het schoolgeld van de oudste moet betaald. En in september moet hij de huur van hun huis verlengen. Maar hun inkomsten liggen al zo ongeveer sinds februari stil. Wayan Suantara is chauffeur en gids op Bali, het Indonesische eiland dat grotendeels afhankelijk is van toeristen. Wayan spreekt Chinees – maar de Chinezen bleven als eerste weg en al gauw legde Indonesië de uitgifte van toeristenvisa stil. Wanneer het land weer opengaat, is onduidelijk. Waarschijnlijk moeten toeristen straks een negatieve coronatest op zak hebben om binnen te komen.

Suantara heeft al geld moeten lenen van zijn keluarga besar, zoals de wijdvertakte familie in Indonesië wordt genoemd. Van een neef die een succesvolle business had. En een paar van zijn trouwe klanten hebben een voorschot naar hem overgemaakt. „Dat geld is al op.” Vorige week kregen ze via het ministerie van toerisme een paar kilo rijst, olie en instant noedels.

Om wat bij te verdienen, helpt Wayan overdag zijn vrouw met het klaarmaken van vegetarische maaltijden, die hij vervolgens zelf bezorgt. Tijd heeft hij genoeg, maar het loopt geen storm met de bestellingen. Meer Balinezen hebben het idee opgevat om eten te gaan verkopen. „En iedereen zit krap, net als wij. Je denkt wel twee keer na voor je geld uitgeeft.”

Annemarie Kas


Robert Ochola - sociaal werker in Nairobi, Kenia

‘We eten minder, en nauwelijks vlees’

Hilarisch vindt Robert Ochola de vraag hoe groot zijn woning is. „Je moet me niet zulke domme vragen stellen, hoor! Die hoek is mijn keuken, die andere hoek onze slaapkamer en ertussen de woonkamer”. Sociaal werker Ochola (40) bewoont in de arme wijk Zewanio in de Keniaanse hoofdstad Nairobi tien vierkante meter, met zijn vrouw, twee kinderen, een huishoudelijke hulp en de vele familieleden die er regelmatig logeren.

In zijn buurt is het altijd druk. Met veel bewoners opeengepakt in kleine onderkomens, een extreem moeilijke omgeving om je aan de coronaregels te houden.

„Mijn broekzak houdt afstand van iedere vorm van cash. Er komt niets binnen. Mijn laatste salaris was in maart. Iedere dag wordt het moeilijker. We eten minder, en nauwelijks vlees meer. Soms tik ik wat goedkope kippenvleugels op de kop. Ik veroorloof me geen openbaar vervoer meer en loop alles.”

Hulp van de overheid is karig. „In deze dagen sta je er alleen voor. Hulp van vrienden? Ach, ik heb zoveel vrienden die nu juist bij mij aankloppen. Ze werken in de informele sector, chauffeurs, mecaniciens, schoonmakers, en verloren hun baan. Zelfs de dominee weigert je hulp, want ook hij is blut omdat hij geen offergaven meer ontvangt. Je deelt een beetje van wat je hebt met de armsten van de armen. Verder is het ieder voor zich. Het wordt steeds moeilijker. De rek is er uit”.

„Sloppenwijken in Nairobi veranderen door corona. Ik woon op een steenworp afstand van een wijk waar veel coronagevallen zijn. Veel bewoners uit die buurt strijken nu in mijn omgeving neer. Zo is het nog drukker geworden. Je ziet kinderen spelen vanaf zes uur in de ochtend tot na het uitgaansverbod. Kinderen kunnen niet binnen blijven, daar zijn de huizen veel te klein voor. Het ouderlijke bed slokt al de meeste ruimte op. Lang thuisblijven wordt zo onmogelijk. Nee hoor, bij ons in het getto gaat het leven door zoals altijd”. Onlangs was Roberts gezin in het Nairobi National Park, de kinderen waren voor het eerst in twee maanden buiten. Ze hadden grote ogen van opwinding. „Iedere dag ontwaken ze in een jungle van golfplaten. Nu ademden ze voor het eerst frisse lucht in.”

Koert Lindijer


Cindy Guo - dataspecialist in Hangzhou, China

‘De voedselbonnen hebben we niet opgemaakt, we kopen alles online’

Cindy Guo vond het eigenlijk wel prettig om twee maanden, tijdens het hoogtepunt van de corona-epidemie, met het gezin thuis te zijn. „We hebben hier alle ruimte”, vertelt de 44-jarige Guo telefonisch vanuit de Oost-Chinese stad Hangzhou. „Gelukkig zijn we nog net voor de coronacrisis verhuisd. We wonen nu op 300 vierkante meter”, zegt ze. Het meest blij is Guo met de tuin van 50 vierkante meter. „Mijn moeder verbouwt daar tomaten en komkommers, ik vooral bloemen.”

Haar twee tienerdochters hebben elk een eigen slaapkamer, net als haar moeder van 66. En haar man van 49 heeft nu een ruime werkkamer. Handig, want hij werkt als zelfstandig bemiddelaar tussen buitenlandse en Chinese bedrijven en werkt veel vanuit huis.

Zelf werkt Guo bij een dataverwerkingsbedrijf. Ook toen ze thuis zat, moest zich elke dag bij haar baas melden. Dat deed ze via een speciale app. „Je moest je temperatuur opgeven en die van je huisgenoten. Ze vroegen of je je gezond voelde, en of je buiten Hangzhou was geweest”.

Op het hoogtepunt van de crisis mocht Guo drie weken lang helemaal de deur niet uit. Het gezin kreeg bonnen van het buurtcomité, twee per week, waarmee één lid van het huishouden buiten inkopen mocht doen. „Die bonnen hebben we nooit opgemaakt, want we kopen vrijwel alles online.”

Toen ze thuis werkte, kreeg ze wel salaris maar geen bonus. „Dat scheelde 40 procent. Dat is te doen: we hebben reserves.” De inkomsten van haar man waren in die tijd juist hoog, hij kreeg nog betalingen voor eerder werk. „We zijn bang dat de klap voor hem nog komt. Hij krijgt nu weinig nieuwe opdrachten.”

Toch is de situatie van het gezin Guo allesbehalve nijpend. „We kunnen het twee jaar uitzingen zonder inkomen.”

Garrie van Pinxteren


Rudi Boermans - aardbeienboer in Heusden-Zolder, België

‘De oogst is gered door seizoensarbeiders’

Er zullen niet veel plekken in België zijn waar het sinds het begin van de coronacrisis drukker is geworden. Wel bij de boerderij van Rudi Boermans. De 59-jarige aardbeienboer uit het Belgisch Limburgse Heusden-Zolder heeft langs de weg voor zijn huis een aantal automaten staan. Hij en zijn vrouw – hun drie dochters zijn al uit huis – vullen die dagelijks met pas geplukte aardbeien in bakjes. Sinds het begin van de crisis is het er drukker dan ooit, vertelt Boermans telefonisch vanaf het grondgebied waar ze jaarlijks zo’n vijfhonderd ton aardbeien en honderd ton blauwe bessen verbouwen. „De thuisverkoop is met 50 procent gestegen.” En ook op de veiling hebben ze geen problemen om hun aardbeien kwijt te raken. „Het schijnt dat de oogst op sommige plaatsen in Duitsland mislukt is, dus we verkopen ook daar nu veel.”

Aanspraak op hulp van de banken hoeft Boermans dus niet direct te maken. Toch is de coronacrisis ook voor zijn bedrijf niet gemakkelijk geweest. Eind april startte de oogst. Zo’n veertig mensen werken dan op het veld om de planten te voeden, bloemen uit te halen zodat ze goed bevrucht worden en uiteindelijk de aardbeien te plukken. „We doen ons best om ons aan de maatregelen te houden. We werken met zo veel mogelijk afstand ertussen, starten op verschillende tijdstippen en lunchen niet meer allemaal gezamenlijk.”

Lastiger was het om die veertig werknemers, in het hoogseizoen moeten het er zelfs tegen de tachtig zijn, daar te krijgen. Meer dan de helft zijn normaal gesproken seizoensarbeiders die overkomen uit Polen en Bulgarije. Officieel zou dat, zelfs met gesloten grenzen en lockdownmaatregelen in verschillende landen, nog mogelijk moeten zijn voor werkpersoneel. „Maar veel mensen durfden toch niet te komen of kwamen vast te zitten aan de grens in hun thuisland.”

Het is de reden dat Boermans inmiddels zo’n vijftien asielzoekers uit een vlakbij gelegen asielzoekerscentrum heeft opgeleid om te helpen bij de oogst. Zij mogen tijdens de coronacrisis bij uitzondering werken van de overheid, onder andere om boeren tegemoet te komen. Toch voelt Boermans zich door de overheid “in de kou gelaten”. Nieuwe mensen opleiden, zonder ervaring in de tuinbouw, kost tijd en geld. Boermans liet, om zijn oogst te redden, een vijftiental Bulgaren op eigen kosten overvliegen en ging ze persoonlijk ophalen op het vliegveld van Eindhoven. „Hulp van de overheid kregen we daar niet bij. Het is uiteindelijk met een lading papieren wel gelukt ze de grens over te krijgen, met moeite.”

Binnenkort volgen nog een stuk of tien seizoensarbeiders uit het buitenland, en daarmee hoopt Boermans voldoende te hebben. Als alles tenminste goed gaat. „Er waren ook twee mensen op mijn kosten hierheen gekomen, maar na twee dagen waren we ze ineens kwijt. Toen bleken ze naar Nederland te zijn gegaan. Daar krijgen ze beter betaald.”

Anouk van Kampen


Diana Camargo - universiteitsmedewerker in Leticia, Colombia

‘Gelukkig kunnen schepen met voedsel nog aanmeren’

Diana Camargo woont in de zuidelijkste punt van Colombia. Het afgelegen Amazonestadje ligt aan een drielandenpunt, waar de grenzen van Colombia, Peru en Brazilië samenkomen. Diana woont daar in een klein huisje van ruim 20 vierkante meter met haar kat. Ze belt vanaf het universiteitsgebouw waar ze werkt. Daar is het internet wel goed genoeg. „Een werkende internetverbinding is een privilege. We hebben hier geen kabel, het internet is heel langzaam. En één megabite aan snelheid kost bakken met geld.”

Diana is opgelucht dat ze de komende tijd nog vooruit kan, haar salaris wordt doorbetaald door de universiteit. „Deze instelling geeft onderwijs op afstand in heel het land, dus in dat opzicht waren wij goed voorbereid op het virus.” Maar veel studenten kloppen bij haar aan, vertelt ze. „Voor hun lessen hebben ze wel internet nodig, en daarvoor moeten ze in de lokalen van de universiteit zitten. Alleen zijn die nu dicht vanwege de maatregelen.” Er wordt in Leticia veel handel gedreven met de kleine steden aan de andere kant van de grenzen met Peru en Brazilië, en via schepen over de Amazonerivier. Papaya, groenten en uien komen uit Peru, vanuit Brazilië wordt suiker en rijst aangevoerd.

Voedsel komt normaal ook per vliegtuig, maar vluchten zijn door de coronacrisis geschrapt. „Gelukkig mogen schepen nog wel aanmeren, hoewel zij ook het virus mee kunnen nemen”, zegt Diana. „Ik maak mij heel veel zorgen, de bevolking in het departement is heel kwetsbaar.” Een groot deel van de bevolking in en rond Leticia (zo’n 50.000 inwoners) is van inheemse afkomst, met een relatief lage weerstand. „Dit kan een ramp betekenen voor de inheemse bevolking, die kan verdwijnen.” Om haar heen ziet ze al veel problemen ontstaan. De scooter, het belangrijkste vervoersmiddel in Leticia, wordt normaal ook als taxi gebruikt. Maar omdat je zo dicht op elkaar zit, mijden veel mensen dit nu liever en blijven binnen. „Mensen die werken in de informele sector hebben niets. De gemeente doet haar best en deelt voedsel uit, maar het is niet genoeg.” Ook vreest ze dat het niet lang meer duurt voor de criminaliteit de kop opsteekt en mensen gaan roven. Daarom gaat ze zelf langs de deuren om voedsel uit te delen. „Met rode vlaggen aan de deur zeggen bewoners: ik heb geen eten en heb hulp nodig.”

Cosette Molijn


Ilja Kovaljov - ondernemer en ziekenhuisvrijwilliger in Moskou, Rusland

‘Van de Russische overheid valt niets te verwachten’

Af en toe krijgt Ilja Kovaljov (36) ineens een bedrag op zijn rekening bijgeschreven. Een van zijn vrienden heeft dan de portemonnee getrokken. Omdat het moeilijke tijden zijn, en vanwege het goede werk dat hij doet. Kovaljov runt een klus- en renovatiebedrijf met zo’n 15 medewerkers. Toen Moskou in lockdown ging en het bedrijf moest sluiten, meldde hij zich als vrijwilliger bij ziekenhuis 52. De afgelopen weken werkte hij op de intensive care, waar hij direct contact heeft met patiënten met Covid-19. Hij draait de zieken om, brengt medicijnen, maakt de intensive care schoon. Daarmee ontlast hij het medisch personeel.

Hoewel Kovaljov bijna elke dag werkt, leeft hij van de hand in de tand. Begin april heeft hij bijna alle financiële reserves overgemaakt naar zijn medewerkers. Van het geld dat overbleef kon hij het uitzingen tot medio mei. Als zijn vrienden niet zouden helpen, zou hij niets te eten hebben gehad, vertelt hij monter. Gelukkig woont hij in zijn eentje en heeft hij geen zorgen voor partner of kinderen. En als voorganger van een lokale protestante kerkgemeenschap heeft hij bovendien een groot netwerk.

Over de werkloosheidsuitkering die hij de afgelopen maand heeft aangevraagd (ongeveer 100 euro per maand), heeft hij nog altijd niets gehoord. „Van de Russische overheid valt niets te verwachten.” Nu de autoriteiten zijn begonnen met het opheffen van de quarantainemaatregelen en de bouwsector weer aan het werk mag, is het tijd voor Kovaljov om zijn klusbedrijf in te schrijven bij de Kamer van Koophandel. Kovaljov is blij dat hij weer aan de slag kan, maar hij is ook bezorgd. De intensive care van ziekenhuis 52 ligt nog steeds vol. „Ik zie nog geen verbetering, dus al die maatregelen om de lockdown te versoepelen, begrijp ik totaal niet. Dit is veel te vroeg.”

Steven Derix


Arsalan Abu Much, - Palestijns internist in Ramat Gan, Israël

‘Ineens kwam er waardering voor medisch personeel’

Arsalan Abu Much had nooit gedacht dat hij zelf met coronapatiënten zou gaan werken. „De eerste maanden bleef ik gewoon op mijn eigen afdeling, cardiovasculaire geneeskunde. Tot ze bij ons kwamen met de vraag: de mensen op de intensive care zijn fysiek en mentaal op, kun je het alsjeblieft overnemen?”, vertelt de Palestijns-Israëlische internist (31). Het werken met Covid-19-patiënten valt psychisch zwaar. „Bij andere patiënten heb je een horizon om naar uit te kijken. Mensen met Covid-19 liggen weken aan de beademing, en eigenlijk is alles wat je doet alleen ondersteunend. De ziekte zelf kun je niet aanpakken. Dat is heel frustrerend.

Tijdens de coronacrisis kwam er ineens aandacht en waardering voor het medisch personeel, vertelt Abu Much. Maar tegelijk begon de Israëlische verkiezingscampagne, waarin de Palestijnse inwoners van Israël door sommigen tot terroristen werden bestempeld. „Toen ben ik met een aantal collega’s een mediacampagne begonnen: wij horen er ook in het dagelijks leven bij, we willen gelijk behandeld worden.”

Wie denkt dat dokters rijk zijn, vergist zich. Het salaris ligt rond het landelijk gemiddelde. „We werken extra uren om op een redelijk inkomen uit te komen. Hoe meer nachtdiensten, hoe meer je verdient. Voor mij is het prima; ik hoef alleen voor mezelf te zorgen. Als ik een gezin te onderhouden had, zou het minder comfortabel zijn. Abu Much woont in een eenkamerappartement op de campus van het ziekenhuis en is in twee minuten op zijn werk. „Dat is fijn. In het begin woonde ik bij mijn ouders, maar toen was ik anderhalf uur reistijd kwijt en kwam ik al uitgeput aan.”

Hij maakt zich zorgen over de Palestijnse inwoners van Israël. Abu Much is opgegroeid in de ‘Arabische driehoek’ in Israël. Zijn vader schreef hem op zijn zeventiende in voor de opleiding geneeskunde in Jordanië. „Het is de droom van elke Palestijnse ouder dat een van zijn kinderen arts wordt. Er zijn veel Palestijnse artsen, verplegers en apothekers in Israël, ook omdat er niet veel andere opties zijn voor Palestijnse studenten. Ze beginnen al op de basisschool met een achterstand en moeten zich overal dubbel bewijzen.”

Nu hebben zelfs Joodse Israëliërs het economisch heel zwaar; je kunt je voorstellen hoe dat voor Palestijnen is, van wie de sociaal-economische situatie voor de crisis al slecht was. Mijn eigen baan is nooit bedreigd geweest; ik denk dat de medische sector de enige is die niet bang hoefde te zijn voor ontslagen. Wat wel vreemd is, is dat medisch personeel dat twee weken in quarantaine moest door het contact met Covid-19-patiënten, daar zelf financieel voor moest opdraaien - terwijl die mensen hun leven waagden voor de patiënten.”

Jannie Schipper