Ine Soepnel met dochter Anna Krans in haar Zutphense boekhandel.

Interview

Overal dreigen boekhandels te sluiten, maar hier gaat het ‘wonderbaarlijk goed’

In de Boekwinkel Een week na het begin van de lockdown mailden we Ine Soepnel om te vragen hoe het met haar boekwinkel ging. De berichten over de boekenbranche waren nog zorgelijker dan voor corona, er was sprake van omzetdalingen van 80 procent en een ‘dramatische’ verschuiving naar onlineverkoop via Bol.com en Amazon. Hoe was het bij haar?

Het teckeltje heet Tsjip, naar de hoofdpersoon van Willem Elsschots novelle Tsjip uit 1934. Ze draaft met flapperende oren de winkel binnen, alsof er niets leukers dan dat bestaat. In de dakgoten koeren de houtduiven en de ochtendzon werpt haar zachte licht op de etalage waarin de boeken staan uitgestald. Zo meteen zal in de verte het carillon gaan spelen, het carillon in de Wijnhuistoren dat de bewoners van de binnenstad al vier eeuwen elk kwartier laat weten hoe laat het is. Maar eerst klinkt nog het klikklak waarmee Ine Soepnel (59) de lampen boven de boekenkasten en de toonbank aandoet. Het is bijna negen uur. Ze start de kassa en de computers. De dag kan beginnen.

Ine Soepnel en Anna Krans

Foto Annabel Oosteweeghel

Het is een filmpje van zes minuten en elf seconden, te zien op de website van de boekwinkel, Van Someren & Ten Bosch, sinds 1844 gevestigd in de Turfstraat in Zutphen. Het is gemaakt bij het 175-jarig jubileum van de winkel in oktober 2019. Dat werd gevierd op een manier die nu onmogelijk zou zijn, met zeshonderdvijftig mensen in de grootste zaal van Zutphen, de Buitensociëteit aan de Coehoornsingel. Bijna al die mensen waren klanten van de winkel en ze hadden 7 euro 50 betaald voor een programma met schrijvers en dichters als A.L. Snijders en Neeltje Maria Min, die voordroegen uit eigen werk, en Adriaan van Dis als feestredenaar. Hij noemde de winkel een haven in een harteloze wereld, een bastion van beschaving, een plaats waar de wereld aan je voeten ligt. „Lezen maakt weerbaar”, riep hij vanaf het podium. „Niet gelukkig! Weerbaar!”

Ine Soepnel is de achtste eigenaar, de eerste vrouw na zeven mannen, en ik ken haar al jaren. Ze was mijn redacteur bij uitgeverij Atlas, later Atlas Contact, tot ze vijf jaar geleden Van Someren & Ten Bosch overnam, toen ook al best een gewaagde stap. Maar wel te begrijpen. Notting Hill gezien? De film met Julia Roberts in de rol van filmster en Hugh Grant als boekhandelaar? Dat dus. En dan de verhalen over Albert van Someren (1821-1890), de eerste eigenaar, die het gymnasium had doorlopen en de handel in boeken zag als „iets hoogers, iets edelers, iets nuttigers dan een tak van koophandel alleen”. Boeken waren voor hem „een daad van het hart of van het hoofd, maar in elk geval een daad, verricht door de besten en de edelsten van ons geslacht, ten behoeve van de menschheid”. Ook mooi: de op schrift gestelde herinneringen van juffrouw Harenberg, die van 1937 tot 1945 tweede bediende in de winkel was en het eerste halfjaar nog niet eens de telefoon mocht aannemen. „Je wist niks.” Gestookt werd er nooit en binnen mocht ze geen jas dragen. Dus had ze in de winter wintertenen.

Een week na het begin van de lockdown mailde ik Ine Soepnel om te vragen hoe het met de winkel ging. De berichten over de boekenbranche waren nog zorgelijker dan voor corona, er was sprake van omzetdalingen van 80 procent en een ‘dramatische’ verschuiving naar onlineverkoop via Bol.com en Amazon. Er werd geroepen om overheidssteun. Hoe was het bij haar?

„Goed”, mailde ze me de volgende ochtend in alle vroegte terug. „We zijn open.” En: „We hebben een bezorgdienst opgezet.” En: „De klanten zijn blij.”

Liefde voor het vak

Nu de lockdown is versoepeld, en inmiddels bijna de helft van de boekhandels verwacht binnen een jaar te zullen sluiten, praten we over haar liefde voor het boekenvak, dwars tegen de tijdgeest in. Haar dochter, Anna Krans (27), is erbij. Zij twijfelde op school tussen geneeskunde, psychobiologie en het conservatorium (piano), en koos na een halfjaar Spaanse les in Salamanca voor de literatuur. Ze deed de master redacteur/editor aan de Universiteit van Amsterdam en werkt nu bij Van Oorschot, een kleine, gerenommeerde literaire uitgeverij in Amsterdam.

We zitten in het kantoor van de man van Ine en Anna’s vader, Herman Krans, die een advocatenpraktijk heeft in Zutphen. In de winkel is niet genoeg ruimte om anderhalve meter bij elkaar vandaan te zitten. Ine vertelt over haar vader, die directeur was van een drukkerij in Deventer. „Hij nam altijd boeken mee naar huis. Hij hield erg van boeken, maar het gekke is: ik heb hem nooit zien lezen.”

Anna: „Ik ook niet. Een enkel oorlogsboek misschien.”

Ine: „Daar bladerde hij dan wat in. Mijn moeder las wel, en mijn opa en oma, de ouders van mijn vader, lazen ook. Dat waren van die oude sociaaldemocraten die lid waren van de Wereldbibliotheek, voorheen de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur. Mijn opa was een eenvoudige meubelmaker in Amsterdam en mijn vader was de eerste in de familie die naar de universiteit ging.”

Hij studeerde economie. Later, in de jaren tachtig, onderzocht hij voor de overheid hoe het verder moest met de boekhandel en de grafische industrie, want daar ging het toen ook al niet goed mee. „De grafische industrie zou teloorgaan door de digitalisering”, zegt ze. „Dat kon je in de jaren zeventig al zien aankomen.” Wat er mis was met de boekhandel weet ze niet meer, en het interesseert haar ook niet zo. „Zolang ik me kan herinneren is er iets mis met de boekhandel.”

Als meisje las ze alle boeken van Irmgard Smits (Heerlen, 1954), die tbc had en in het sanatorium lag. Op haar twaalfde was ze gedebuteerd met Blijf lachen Irmgard. „Ik heb nog met haar gecorrespondeerd”, zegt Ine.

Anna lacht.

„Ik had ook een eierwarmertje voor haar gehaakt, daar word ik nog steeds mee geplaagd door mijn broer.” Die is vier jaar ouder dan zij. „Ik las ook de Tina, en Pinkeltje, en Het geheim van de gouden sleutel, en Wiplala van Annie M.G. Schmidt.” Ze kijkt naar Anna. „Heb jij Wiplala gelezen,?”

Anna: „Jazeker.”

Ine: „Er is een foto van Anna in de strandkar op Vlieland, ze was toen denk ik nog geen anderhalf. Ze kijkt niet om zich heen. Ze heeft een babyprentenboekje vast, Plons!, en daar zit ze in te kijken.” Haar dochter, zegt ze, heeft net als zij altijd gelezen. Haar zoons daarentegen, ze heeft er twee, niet of nauwelijks.

Ze ging in Deventer naar de middelbare school en tot de vierde had ze geen idee wat ze wilde worden, behalve dan dierenarts. Toen kreeg ze een leraar Nederlands die iets in haar zag. „Ik weet niet wat”, zegt ze. „Maar hij beloonde me met hoge cijfers en door hem ging ik me nog veel meer voor literatuur interesseren.” Schrijvers als Herman Pieter de Boer en Jan Donkers kende ze al, door haar broer, die later bibliothecaris zou worden. Nu kwamen daar W.F. Hermans, Cees Nooteboom, Andreas Burnier en Louis Paul Boon bij. „Louis Paul Boon heb ik ook nog eens een briefje geschreven, of ik bij hem langs mocht komen in Erembodegem.” En? „Dat mocht, maar het is er nooit van gekomen.”

Manusje-van-alles

In de vijfde klas wist Ine dat ze uitgever wilde worden. Geen schrijver. „Daar heb ik nooit aan gedacht.” Uitgever. Ze schreef zich in voor de Frederik Muller Academie voor Boekhandel en Uitgeverij. Maar ze werd uitgeloot, die opleiding was toen nog heel populair. En zo werd het Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Díe opleiding, nu min of meer verdwenen, was toen óók nog heel populair. In de eerste zomervakantie werkte ze als manusje-van-alles bij de Walburg Pers, in de tweede bij Elsevier en in de derde bij Thieme.

„Waarom van die saaie uitgeverijen?”, vraagt Anna. „Ik zou aan De Bezige Bij gedacht hebben, Atlas, Van Oorschot.”

Ina: „Dat zou ik nu ook denken. Toen vond ik het te hoog gegrepen.”

Na haar afstuderen, in 1985, op een zeventiende-eeuws letterkundig onderwerp, kon ze assistent-uitgever worden bij de Walburg Pers. Ze was blij en opgelucht, want de werkloosheid was groot in die jaren. Ze moest er wel voor naar Zutphen verhuizen. „En dat vond ik wel erg. Heel erg.”

Drie bestsellers

Twaalf jaar later richtte ze, samen met de boekverkoper Joost Polak, haar eigen uitgeverij op: Plataan. In 2001 had ze drie bestsellers, waarvan Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer met uiteindelijk meer dan 300.000 verkochte exemplaren de grootste was. Anna zegt dat ze het boek probeerde te lezen om haar moeder te verrassen. „Ik wilde tegen je kunnen zeggen dat ik het uit had.”

Ine Soepnel en Anna Krans

Foto Annabel Oosteweeghel

„O ja?”, zegt Ine.

„Ja, maar ik begreep er niets van.” Anna was tien, misschien elf. „Ik zie nu pas hoe knap het van je was, een eenmanszaak op zolder, alles zelf doen, en dan zoveel succes.”

Maar dat succes werd ook een probleem. „Auteurs verwachten wat van je”, zegt Ine. „Ik moest een stap maken, een echt bedrijf worden, uitbreiden, mensen aannemen.” Daar had ze geen zin in. Ze verkocht Plataan aan Atlas, ging zelf mee als redacteur, had succes met Gouden jaren van Annegreet van Bergen (ook meer dan 300.000 verkochte exemplaren), maar begon er toch weer naar te verlangen om zelfstandig ondernemer te zijn. Ze kende de eigenaar van Van Someren & Ten Bosch en bedacht dat die toch echt wel een keer met pensioen zou gaan.

Ze dacht niet dat de boekhandel misschien een aflopende zaak was? „Ik ben niet iemand die in besturen zit en alles overziet en daar wijze dingen over zegt, want ik heb daar eh…”

Anna: „…helemaal geen zin in.”

„Omdat ik een ontzettende hekel aan vergaderen heb. Dus ik kan niet verder kijken dan mijn eigen bedrijfje, eerst de uitgeverij, nu de winkel. Ik heb nooit gedacht dat het einde der tijden morgen gaat aanbreken. En ook niet overmorgen. Met de winkel gaat het goed. Zelfs nu gaat het wonderbaarlijk goed. We zijn in de lockdown een paar procentjes achteruit gegaan, waar hebben we het over? De klanten blijven gewoon komen, of ze bestellen via onze bezorgdienst. We leveren op de fiets. We krijgen zelfs verzoeken uit Groningen en Eindhoven, of we alsjeblieft die en die boeken willen opsturen. Die mensen kennen ons van dagjes uit naar Zutphen. Alleen hebben we alle lezingen van schrijvers die we organiseren moeten afzeggen.”

Vloekend en scheldend

Anna: „Natuurlijk heb ik me toen ik die master koos ook afgevraagd of het vak nog toekomst had. Maar ik denk dat mensen altijd blijven lezen en dat er altijd boeken gemaakt blijven worden. De manier waarop zal veranderen, de aantallen zullen veranderen, het aantal uitgeverijen en boekhandels zal ook wel veranderen. Maar mensen blijven lezen.”

Ine: „En stel dat de mensen straks alleen nog e-books lezen en de boekhandels verdwijnen, dan is dat maar zo. Dan is dat de nieuwe realiteit.”

Anna vertelt dat haar moeder het eerste jaar na de overname van Someren & Ten Bosch alléén maar over de winkel kon praten en áltijd aan het werk was. „En de eerste dag kwam je vloekend en scheldend thuis, je wilde er meteen weer vanaf. Weet je dat nog?”

Ine: „Dat ben ik gelukkig vergeten.”

Anna, die vroeger op zaterdag bij Ine’s voorganger in de winkel werkte: „Ine wist niet hoe de kassa werkte. Ze had voor het eerst van haar leven personeel. Ze moest haar klanten nog leren kennen. Als boekhandelaar kun je niet alleen maar afgaan op je eigen smaak of denken: ik koop in wat in de topzestig staat. Je moet alles in de gaten houden, kranten, radio, televisie, tijdschriften, welke boeken besproken worden, welke schrijver goede besprekingen krijgt. Mensen komen met de vaagste herinneringen bij je. Ik zoek een boek dat vorige week in die en die krant stond en het ging geloof ik over eh…”

Ine: „Of ik heb een boek op televisie gezien en het was geel. En dan weten we het heel vaak, hoor. Ik vind dat een van de leukste vragen.”

Anna: „In het begin schreef je alles op, alle recensies, alle namen, alle titels.”

Ine: „En dan kwam er een klant, ja, vier weken geleden, in Trouw, maar het kan ook de Volkskrant zijn geweest, las ik een bespreking van eh… En dan kon ik in mijn boekje terugbladeren. Maar dat hoeft nu niet meer. Nu zit het gewoon allemaal in mijn hoofd.”

Lees ook: ‘De lokale boekhandel als sociaal instituut verdwijnt’

Herman Krans komt binnen en vraagt aan Ine wat ze vanavond wil eten. Teckeltje Tsjip, die tot nu toe aan Ine’s voeten heeft gelegen, rent met roffelende pootjes op hem af. Hij vertelt dat Ine, sinds ze de boekhandel heeft, bijna alleen nog maar fictie leest, romans. „Terwijl je vroeger zelf nooit fictie uitgaf, alleen non-fictie.”

Ine denkt dat het door haar leeftijd komt, al weet ze ook dat veel lezers bij het ouder worden meer geïnteresseerd raken in non-fictie: biografieën, geschiedenis, politiek, filosofie, natuur.

Herman, die op zaterdag in de winkel staat en de contacten met de accountant doet: „Ik lees vooral non-fictie, nu de Bijbel van John Barton, daarvoor Het boek dat niemand las, over Copernicus. Ik heb ook Uit het leven van een hond gelezen, van Sander Kollaard, erg genoten. Daar schrijf ik dan met plezier een stukje over voor de site. En o ja, De Bourgondiërs. Dat zou Ine nooit lezen, maar ik vond het prachtig.”

Ine: „Veel te veel details. Ik ben te druk in mijn hoofd voor boeken met veel details. Ik hou van uitgebeende literatuur, geen woord te veel. Elizabeth Strout, Alice Munro, David Vann, Mensje van Keulen. Dat leest Anna ook allemaal.”

Anna: „En alles van Van Oorschot.”