Omstreden opiniestuk met oproep het leger in te zetten ‘voldeed niet aan standaarden’ New York Times

Journalistiek Na heftige kritiek op een opiniestuk van een Republikeinse senator zegt The New York Times nu de publicatie ervan te betreuren. De leiding van de krant spreekt van „een overhaast redactieproces”.

Senator Tom Cotton (Rep., Arkansas) schreef dat het leger moet worden ingezet tegen relschoppers.
Senator Tom Cotton (Rep., Arkansas) schreef dat het leger moet worden ingezet tegen relschoppers. Foto AP

De Amerikaanse krant The New York Times heeft na twee dagen van vurige kritiek binnen en buiten de redactie geconcludeerd dat een opiniestuk van de Republikeinse senator Tom Cotton niet gepubliceerd had moeten worden. Het zou bij nader inzien niet „voldoen aan de standaarden” van de Amerikaanse krant.

In het stuk ‘Send in the Troops’ van de senator uit de staat Arkansas wordt president Donald Trump opgeroepen om het leger in te zetten in steden die in chaos dreigen te vervallen door escalerende protesten die in het land uitbraken na de dood van George Floyd door politiegeweld.

Met name de constatering dat het protest wordt gecoördineerd door de extreem-linkse beweging Antifa, werd heftig bekritiseerd.

Lees ook: Wie maken er amok: Antifa of de rechtse libertairen?

Wanordelijkheden

Deze lezing, populair in rechtse kringen, druist in tegen de journalistieke stukken hierover die de nieuwsredactie van The New York Times de afgelopen dagen schreef, namelijk dat relschoppers in losse verbanden van wisselende politieke kleur hun wanordelijkheden begaan.

The New York Times heeft een beleid dat redacteuren terughoudend zijn als het gaat om politieke stellingname op bijvoorbeeld sociale media. Desondanks gaven veel redacteuren blijk van hun walging over het stuk.

Sommigen vrezen dat collega’s van kleur zelfs gevaar zouden lopen door deze publicatie. Achthonderd journalisten van The New York Times, grofweg de helft van het totaal, zouden een petitie hebben ondertekend waarin de leiding van de Times opgeroepen werd om afstand te nemen van het stuk.

Vrijelijk debat

De opinieredactie legt verantwoording af aan de uitgever A.G. Sulzberger en staat daarmee meer dan bij veel andere kranten los van de hoofdredactie. Chef-opinie James Bennet verdedigde het afdrukken nog kort voor de leiding van de krant besloot dat het niet had gemoeten.

In Bennets optiek is een dergelijk stuk de consequentie van de opdracht dat op zijn pagina’s vrijelijk debat over ideeën gestalte moet krijgen, maar hij erkende in een essay „dat mijn visie hierop verkeerd kan zijn”.

De leiding van The New York Times noemt het nu een „overhaast redactionele beslissing” die leidde tot de publicatie. Bennet was daar overigens niet bij betrokken. „Wij onderzoeken nu op korte termijn en op lange termijn hoe we veranderingen aan onze opiniesectie kunnen doorvoeren, onder meer door het uitbreiden van de fact-checkingprocedure en het terugbrengen van het aantal opiniestukken.”

Correctie (8 juni 2020): In een eerdere versie stond de achternaam Bennet met dubbel ‘t’. Dat is aangepast.