Olympiaplein, Een jongen uit plan Zuid ’38-’46

Literaire plekken Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Het Van Heutsz Monument op het Olympiaplein bestaat niet meer, maar het staat er nog wel. Ga er eens kijken, bij voorkeur op een mooie zomermiddag, als de kinderen spetteren in het pierebadje, en kwetterend hun bootjes laten varen. Kijk naar de straten die altijd verlaten lijken, naar het kanaal, naar de sportvelden, de poort die het Amsterdams Lyceum is, de torenspits van de Willem de Zwijgerkerk, en bedenk dat u zich bevindt in het hart van het drama dat zich voltrekt in Een jongen uit plan Zuid ’38-’46 van Heere Heeresma.

Het boek begint op 10 mei 1940 als de Duitsers binnenvallen. ‘Een vroege ochtend met een meloen van een zon in een helblauwe lucht’, schrijft Heeresma. Dat je het maar weet, want het is zo’n zin die je niet meer vergeet. Vader Heeresma speelt op zijn banjo, maar zijn vrouw gebaart om stilte: ‘En nu horen we ook een naar soort gebrom en ze zegt: „Ik geloof dat het oorlog is.” En ja, hoog in de blauwe hemel varen ze in dambordformatie over. De Junkers, geladen met valschermjagers.’ Als ze de radio aanzetten, horen ze ze het kinderkoor van Jacob Hamel. Die in Sobibor vermoord zal worden, zeg ik erbij.

De kleine Heere, hij is acht als de oorlog begint, heeft de gewoonte om ‘op tijd op dezelfde plaats’, een zij-ingang van de Willem de Zwijgerkerk, te staan, want dan loopt Lonneke Fajgenbaum voorbij, ‘en wat was ze prachtig’. Een paar dagen na de capitulatie wordt tegen een dam in het kanaal haar lichaam gevonden. ‘Huilend’, schrijft Heeresma, ‘ging ik naar de Vana voor wat boodschappen. De puntzakken van die winkelketen waren toen beroemd.’

Schrijnender kan het welhaast niet. Lonneke Fajgenbaum pleegt zelfmoord, de kinderen in het boek, Mosje Ansinger, Roza Taitelbaum, Eva Gomperts, Esther Moritz, Eli en Lothar worden gedeporteerd. Wie de kinderen waren, weten we niet, want hun namen zijn net als die van Lonneke Fajgenbaum fictieve namen. De Johan Hiegentlich die bij de Heeresma’s ondergedoken zit, heette Johann Benjamin Hiegentlich. Hij werd op 28 mei 1943 in Sobibor vermoord. De kinderen in Heeresma’s plan Zuid wonen op fictieve adressen in echte straten en laten zich niet herleiden tot de kinderen voor wie ze staan. Maar het zijn echte kinderen, laat daarover geen twijfel bestaan. Ze woonden op het Raphaelpleintje, op de Stadionweg, aan de Noorder-Amstellaan, ze zijn gedeporteerd en vermoord. Eli, zijn gabber, woonde op de Olympiakade, bij Heere om de hoek. Als hij op een ochtend vroeg wakker wordt, ziet hij hoe Eli, zijn tweelingzusje Naomi, zijn vader en moeder worden weggevoerd. Als Eli struikelt geeft een Duitser hem een klap met de kolf van zijn geweer. Eli gilt. ‘Zijn gil’, schrijft Heeresma, ‘zal me mijn leven lang bijblijven.’

(In de vorige aflevering schreef ik om onnaspeurlijke redenen dat A.M. de Jong op 16 oktober 1944 werd vermoord. In werkelijkheid was het 18 oktober 1943.)

schrijft hier op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.