Interview Murat Isik schreef een boek over het leven van zijn moeder, Aynur. Zij moest vroeger altijd op haar hoede zijn, want er hoefde maar dít te gebeuren of Murats vader ontplofte. “Die keer dat jij de soep te langzaam inschonk.”

Dubbelinterview

‘Ik hoopte dat hij ooit over me zou schrijven’

Door Jannetje Koelewijn en Rinskje Koelewijn.
Fotografie Merlijn Doomernik. 5 juni 2020

Murat Isik en Aynur Tarhan. Fotografie Merlijn Doomernik.
Murat Isik en Aynur Tarhan. Fotografie Merlijn Doomernik.

Interview Murat Isik schreef een boek over het leven van zijn moeder, Aynur. Zij moest vroeger altijd op haar hoede zijn, want er hoefde maar dít te gebeuren of Murats vader ontplofte. “Die keer dat jij de soep te langzaam inschonk.”

Murat Isik (42), de schrijver van Wees onzichtbaar (Libris Literatuur Prijs 2018), heeft een boek over zijn moeder geschreven, over haar leven dat begon in een dorp zonder waterleiding of elektriciteit in het oosten van Turkije en haar via Izmir en Hamburg naar Amsterdam bracht, naar een flat in het hart van de Bijlmer, waar ze zich bevrijdde van de tirannie van haar man en zich ontwikkelde tot een vrouw met een fulltime baan (voedingsassistente in het AMC) en een inkomen dat hoog genoeg was voor een koopappartement.

Mijn moeders strijd is een in omvang meer dan verdubbelde editie van het Boekenweekessay dat Murat Isik in 2019 over zijn moeder schreef. Deze keer gaat het ook over zijn grootmoeder, de analfabete Akgül die op haar zevende door háár moeder (Murats overgrootmoeder) was verlaten en zelf elf kinderen kreeg, van wie er acht op jonge leeftijd stierven. Van de drie die overbleven was Murats moeder, Aynur, de tweede. Akgül had haar liever niet gehad: een meisje, een dwárs meisje dat op haar negende nog met de buurjongens buiten speelde terwijl het haar verboden was. Na de zoveelste overtreding werd Akgül zo kwaad dat ze boven op haar dochter ging zitten en haar de keel dichtkneep. Ze liet pas los toen de buurvrouw naar binnen stormde. En toch, schrijft Murat, bleef zijn moeder buiten spelen met de buurjongens.

Het appartement van Aynur Tarhan (67) kijkt uit op de Johan Cruijff Arena en is opmerkelijk ruim en licht. Op de salontafel liggen stapels boeken. In een vaas op de vloer staat een boeket gemengde bloemen met een ballon in de vorm van een rood hart. „Van mijn dochter gekregen”, zegt Aynur. De eettafel is gedekt voor twee keer twee personen tegenover elkaar, met daartussen de voorgeschreven ruimte. Ze wacht tot we zitten en gaat naar de keuken. Murat Isik vertelt intussen over zijn halfjaar in San Francisco, in 2001, tijdens zijn studie rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Voor het eerst van zijn leven, zegt hij, voelde hij zich autonoom en one of the cool guys, niet meer de bedeesde, op school gepeste en door zijn vader geïntimideerde Bijlmerjongen uit Wees onzichtbaar, al is Murat natuurlijk niet dezelfde persoon als Metin, de hoofdpersoon van de roman.

Na tien minuten komt Aynur tevoorschijn. „Mag ik even jullie aandacht? Wat willen jullie drinken?” Daarna trekt ze zich weer terug in de keuken en Murat vertelt over zijn kinderen, een zoon van twee en een half en een dochter van een jaar. Ja, het waren zware weken in de lockdown, zonder opvang. Zijn vriendin, Iris, is psycholoog en moest thuis videobellen met haar cliënten. En hij had zijn boek nog niet af.

„Mama”, roept hij na nog eens tien minuten. „Kom je erbij zitten? Het interview is ook met jou.” En dan komt ze, met drie soorten thee, een mand vol viennoiserie en een schaaltje bonbons van Ferrero Rocher. Ze gaat zitten en springt meteen weer op. De servetten!

„Het is goed, mama”, zegt Murat. „Alles is goed.”

Sinds een jaar is ze met pensioen en ze moet er nog aan wennen. „Ik kijk in de spiegel en denk: ben ik echt zo oud?” Maar fijn vindt ze het wel om niet meer te hoeven werken. „Al die jaren om vijf uur op, douchen, ontbijten, metro pakken, om kwart voor zeven in het ziekenhuis en dan de hele dag lopen, lopen, lopen.”

Murat: „Fysiek was het zwaar, mama.”

„Mijn knieën, mijn voeten, ik kon het alleen volhouden omdat ik orthopedische schoenen had aangeschaft. Na het werk boodschappen doen en koken. Maar de laatste jaren niet meer. Ik ging niet meer naar de keuken om een soepje voor mezelf te maken.”

Murat: „Je was te moe om te koken.”

„Ik maakte salade. Beetje broccoli stomen, bloemkool, dat ging nog wel.”

Murat: „En soms naar Marmaris voor een stukje zalm of lamsvlees.”

‘Mijn vader en moeder in één huis, daar lag ik wakker van’

In restaurant Marmaris, in winkelcentrum Amsterdamse Poort, heeft Murat zijn moeder vaak geïnterviewd, in het Turks, al is zijn Turks niet eens zo heel goed meer. Aynur sprak als kind Zazaki, want ze is een Zaza, een nazaat van een Perzisch volk dat ooit in Turkije is neergestreken. Ze leerde pas Turks toen ze met haar ouders naar Izmir was verhuisd, in het westen van Turkije. Hun dorp was verwoest door de aardbeving van augustus 1966, een van de zwaarste ooit in die contreien. Ze was dertien, ze mocht nog even naar school en toen was het werken. Haar vader kon niet werken. Die miste door een ongeluk een half been.

„Je ging naar de rozijnenfabriek”, zegt Murat. „Vijf dagen per week.”

„Zes dagen”, zegt Aynur. „Alleen op zondag niet. De eerste week veegde ik de vloeren en daarna zei die man, de baas: je bent slim en snel, je mag aan de lopende band.”

„Rozijnen verpakken?”

„Nee, mini-ministeentjes eruit pikken. De rozijnen uit die fabriek liggen hier in de supermarkt, ik heb ze toevallig net weer gekocht.” Ze gaat naar de keuken en komt terug met een mand vol donkere rozijnen, gewassen en in een wit servet gevouwen. „’s Avonds eet ik ze, met een paar walnoten erbij, heerlijk.”

Murat: „Rozijnen behoren tot de belangrijkste exportproducten van Turkije. Rozijnen en noten.”

„Ik werkte vaak over”, zegt Aynur. „Dan maakte ik wel tien of twaalf uur op een dag. Altijd staan, en ik was nog in de groei. Daarom denk ik dat mijn knieën en voeten zo versleten zijn.” Sinds haar pensionering, zegt ze, kan ze voor het eerst in haar leven doen wat ze wil. Afspreken met vriendinnen, lezen in haar luie stoel, niet meer vroeg naar bed en uitslapen tot wel zeven uur. Ja, daar moet ze zelf ook om lachen. Wat vindt ze ervan om de hoofdpersoon in een boek van haar zoon te zijn? Er staan gevoelige dingen in, dingen waar ze zich vroeger voor schaamde – de armoede, de ruzies met haar man, de mishandelingen – en nu kan iedereen erover lezen.

Aynur: „Je hebt in het Turks een woord, een uitdrukking…” Ze zegt het in het Turks. Het zijn lange zinnen en Murat roept: „Ho, wacht, even Google Translate erbij pakken.” Het is een grapje. „Mijn moeder zegt: als je je niet uit, zullen je interne wonden nooit herstellen.”

„Ik heb de schaamtecultuur achter me gelaten”, zegt Aynur. „Door te praten kun je genezen en ik was zo verdrietig over mijn verleden, zo woedend dat ik op een dag tegen Murat heb gezegd: ik hoop dat je ooit over mij zult gaan schrijven.”

Murat: „Dat was eind 2016 en ik herinner me het iets anders, mama. Jij zat daar op de bank en je zei niet ‘ik hoop’. Je zei: ‘ga’. Ga je een boek over mijn leven schrijven? Ik was nog bezig met Wees onzichtbaar, dat in mei 2017 zou verschijnen, en daarin ging het al over een vrouw die op mijn moeder lijkt, en een man die op mijn vader lijkt, en ik dacht: een boek over mijn moeder, dat komt later wel.” Hij kijkt naar Aynur. „Vijftien maanden daarvoor was papa overleden.” Weer tegen ons: „In september 2015 is mijn vader overleden, op zijn vierenzestigste, volkomen onverwachts aan de complicaties van een trombose die niet tijdig was ontdekt. Vier maanden eerder was hij naar Izmir teruggegaan.”

Murat Isik en Aynur Tarhan. Fotografie Merlijn Doomernik.
Murat Isik en Aynur Tarhan. Fotografie Merlijn Doomernik.

Tot die tijd had hij nog bij Aynur gewoond, in haar appartement, al verdroegen ze elkaar al heel lang niet meer. ’s Nachts sliep hij op een matras op de vloer in de woonkamer, overdag lag hij op de bank te lezen of televisie te kijken. In Mijn moeders strijd, en ook in Wees onzichtbaar, vertelt Murat dat zijn vader, en de man die op zijn vader lijkt, een communist was die weigerde te werken. In zijn jonge jaren in Izmir deed hij ook al niets en op een dag, eind jaren zeventig, was hij naar Hamburg vertrokken, waar zijn broer een restaurant had, met achterlating van Aynur en twee kleine kinderen. Hij hoopte op politiek asiel, kreeg het niet en liet zijn gezin alleen maar overkomen omdat hij dacht dat hij dan misschien wel een verblijfsvergunning zou krijgen. Lukte weer niet en zo kwamen ze begin jaren tachtig in Nederland terecht. In de Bijlmer was veel leegstand en over een bijstandsuitkering werd niet moeilijk gedaan. De vader in Wees onzichtbaar vergadert met zijn kameraden tegen het grootkapitaal, hij rookt en drinkt en gokt, en laat zich niets aan zijn vrouw en kinderen gelegen liggen.

„Mijn schrijverschap bracht ons wel dichter bij elkaar”, zegt Murat. „Toen ik in 2007 een verhalenwedstrijd won, kwam hij als enige naar de uitreiking en zei dat hij trots op me was. Een jaar later ging ik hem voor mijn debuut interviewen over het dorp van zijn jeugd in het oosten van Turkije, waar hij de geiten hoedde.” Dat debuut was Verloren grond (2012). „Dan zaten we op een terras in de stad, hij vertellen, ik luisteren, de rolverdeling die hem het beste beviel. Ik was in zijn achting gestegen, ook omdat ik was afgestudeerd als jurist. Maar de relatie tussen hem en mijn moeder bleef, eh, heel turbulent. Zij samen in één huis, daar lag ik wakker van. Er hoefde maar dit te gebeuren” – Murat knipt met zijn vingers en kijkt naar Aynur – „of hij ontplofte. Die keer dat jij de soep te langzaam inschonk.”

Aynur knikt.

„Ik zei: doe normaal man, je krijgt je soep echt wel. Maar het ging natuurlijk niet om de soep. Het ging om zijn positie in het gezin, de afhankelijkheid van zijn vrouw, die hem aan alle kanten had voorbijgestreefd. Hij tolereerde steeds minder. Soms nam ik hem apart, waar ben je nou mee bezig, baba, ga op jezelf wonen. Zei hij: gaan jullie dat betalen dan? Hij kroop altijd in de slachtofferrol, alles was hem overkomen, hij had zoveel kunnen bereiken als hij geen vrouw en kinderen had gehad. Mijn moeder heeft het jarenlang verdragen…”

Aynur knikt.

„…tot hij op een dag weer fysiek was geworden. Toen hebben we hier een familieberaad gehouden, mijn zus was er ook bij, en ik heb nog nooit zo hard tegen hem geschreeuwd als die keer. Nu ga ik all the way, dacht ik, whatever it takes, desnoods wordt het matten, maar hij gáát weg. Dat was in april 2015.”

„Ik zei wel”, zegt Aynur, „dat hij altijd mocht terugkomen om de kleinkinderen te zien, de kinderen van onze dochter. Ik zei: mijn deur is open.”

„Nou, mama”, zegt Murat, „je bent nu een beetje aan het mooipraten.”

Aynur: „Nee hoor.”

„Jawel, mama, laat mij even. Het was toen heel fel, het liep echt uit de hand en we zeiden: geen contact meer. De keer daarvóór had je gezegd dat hij altijd mocht terugkomen, en toen kwam hij weer terug, en nu zeiden we: nooit meer hier in huis. Je kunt bij je dochter verblijven of desnoods bij mij, maar niet meer bij mama. Het was echt klaar.”

Aynur, aarzelend: „Ja.”

Murat: „Je zegt dat omdat je hem altijd probeerde te paaien, om te voorkomen dat je het monster in hem zou wakker schudden.”

Aynur: „Ik wilde geen vijand van hem maken.”

Murat: „Omdat hij onvoorspelbaar was, en als hij het in Izmir niet zou redden, zou hij dat jou verwijten.”

Aynur: „Ik probeerde hem zacht te maken, omdat ik anders misschien in gevaar zou zijn. Dat klopt.”

Je zei niet ‘ik hoop’, mama. Je zei ‘ga’. Ga je een boek over mij schrijven

Murat: „In Mijn moeders strijd staat een passage over de tijd dat je net met hem getrouwd was, weet je nog? Papa vertelde je dat zijn vader zijn moeder vroeger in het dorp vreselijk sloeg, tot bloedens toe. En papa veroordeelde dat niet. Hij vond dat zijn moeder die afranseling verdiende, want ze hield haar mond niet. Ze bleef zijn vader maar uitdagen. Na een paar maanden huwelijk wist je: ik moet op mijn tellen passen !”

Aynur: „Voorzichtig zijn. Opletten. Hem niet kwaad maken en opletten.”

Murat: „Ik heb weleens het gevoel dat Wees onzichtbaar mijn vader naar Turkije verdreven heeft. Ik begon eraan in 2013 en ik zei tegen hem dat ik een boek schreef over een jongen die in de Bijlmer opgroeit. Hij fronste zijn wenkbrauwen en zijn eerste reactie was: o, wat ga je over zijn vader vertellen? Ik zei: jij bent die vader niet, het is een roman. Hij weer: wat ga je over zijn vader vertellen? Hij begon aan een tegenverhaal over de mail. Ik wil dat je weet hoe zwaar ik het altijd heb gehad, hoe moeilijk het voor mij was. Het kwam erop neer dat ik mededogen moest hebben. Al gaf hij wel toe dat hij fouten had gemaakt. Voor mij was het too little too late. Na 38 jaar kom je hiermee? Om je ego te redden en gezichtsverlies te vermijden? Ik heb er niet op gereageerd.” Murat kijkt naar zijn moeder. „Op een gegeven moment haalde ik jullie op met de auto om naar Amersfoort te rijden” – daar woont zijn zus – „en hij zei: heb je mijn mail gekregen? Ik knikte. Hij zei: je hebt niet gereageerd. Ik zei: ik heb het druk. Later zei hij tegen jou…”

Aynur zegt iets in het Turks.

Murat: „Hij zei: die schoft.”

Aynur schuift intussen een Libelle naar ons toe en wijst naar het verhaal over haar dochter en haar dat erin staat.

„Mama”, zegt Murat. „Dat leidt wel een beetje af.”

„Sorry”, zegt Aynur.

Murat: „Door mijn vader heb ik geleerd om me altijd in te houden. Ik heb een enorme zelfbeheersing. Of nou ja, met mijn kinderen, in de coronatijd… Dan geeft mijn zoon mijn dochter een klap en word ik boos, omdat ze nog zo klein en weerloos is, maar dan hoor ik meteen die stem in mijn hoofd: wees niet zoals je vader.” Hij kijkt naar zijn moeder. „Nu is dat risico niet echt groot, want ik lijk op jou, mama.”

Vindt Aynur dat ook?

Aynur: „Murat heeft mij altijd gesteund.”

Ze was 16 toen ze haar man leerde kennen, in Izmir, en in het begin, zegt ze, was hij erg verliefd op haar. „Logisch”, zegt Murat. „Je was een heel mooi meisje. Je bent nog steeds een heel mooie vrouw.” Was Aynur verliefd op hem? „Nee”, zegt ze. „Maar ik dacht: dat komt wel. Hij was een leuke man.”

„Modern”, zegt Murat.

„Modern, ja. Ik dacht: hij is niet traditioneel.”

Murat: „Je broer wilde je uithuwelijken en hij had vier kandidaten. De eerste was een boerenpummel uit het dorp waar jullie vandaan kwamen. Je zei: ik ga niet met die boer trouwen. Nummer twee, drie en vier wilde je ook niet, je kreeg klappen van je broer, en toen kwam papa. Jij zag een knappe man, goed gekleed, John Travolta.”

Aynur lacht.

Murat: „Een stadsmens. Hij wilde naar Europa, hij was belezen. Zijn andere kant zag je pas toen je getrouwd was. Je schoonmoeder wilde dat je een hoofddoek droeg en toen je daarover klaagde tegen papa, zei hij: je luistert naar haar of je krijgt een klap.”

Aynur: „Ik was stomverbaasd. Ik moest gewoon naar zijn moeder luisteren. Na de geboorte van mijn dochter dacht ik al: ik blijf daar niet. Ik ben teruggegaan naar mijn ouders. Maar hij kwam naar het huis van mijn ouders, en nam mijn dochter mee.”

Foto Merlijn Doomernik

Ze vertelt hoe verdrietig ze was toen haar eerste kind een meisje bleek te zijn. „Een meisje in Turkije heeft geen toekomst. Ik huilde. Maar toen kreeg ik haar in mijn armen en rook ik haar heerlijke geur. Ik dacht: jij gaat een sterke vrouw worden. Ik ga alles doen om jou te laten studeren. Zo is het gegaan. Huilen, ruiken, de belofte.”

Murat: „Dat werd de missie van mijn moeder. Haar dochter laten studeren en in the slipstream ook haar zoon. Mijn zus naar het vwo, ik ook naar het vwo. Mijn zus naar de universiteit, ik ook naar de universiteit.”

Aynur: „Koste wat kost wilde ik dat.”

Murat: „En wat nou als ik het niet gekund had?”

Aynur: „Ik wilde mijn kinderen de kans geven.”

Murat: „Zo heb ik het nooit gevoeld, hè. Ik had nooit het gevoel dat je me de kans gáf. Ik móést.”

Aynur: „De kans die ik zelf niet gehad had.”

Murat: „Mag ik even, mama? Dat is iets wat ik besefte toen ik Wees onzichtbaar schreef: hoe zwaar het was voor die jongen van 12, Metin in het boek, en voor mezelf ook, om te voldoen aan die enorme verwachtingen. Mij is nooit gevraagd wat ik wilde en of ik het wel kon. In de brugklas had ik een 4 voor wiskunde en een 5 voor Nederlands. De leraren twijfelden aan me en ik moest een test maken om te kijken of ik wel kon blijven. Op basis van de citotoets was ik ingedeeld in de mavo-havoklas, maar papa had gezegd: nee, mijn zoon gaat naar het vwo! Hij had strijd gevoerd met de rector, dus de druk op mij om het waar te maken was immens groot. Er was voor mij gevochten en het gíng niet. Ik had op mijn twaalfde het gevoel dat ik mislukt was. Ik was diep en diep ongelukkig.”

Wist Aynur dat?

Aynur glimlacht en schudt nee.

Vindt ze het erg om te horen?

Aynur: „Nee. Kijk waar hij nu is. Kijk waar mijn dochter is.” Die heeft communicatiewetenschap gestudeerd en is nu coach. „Ik denk dat ik het goed gedaan heb.”

Murat: „Dat denk ik ook, maar het is wel jouw harde kant.”

Aynur: „Ik heb er geen spijt van.”

Murat: „Op school werd ik gepest, maar wat ik pas echt erg en vernederend vond: dat ik naar bijles Nederlands moest. Ik die op de basisschool de uitblinker van de klas was met voorlezen en dictee en erom geroemd werd door mijn leraar, ik die elke week naar de bieb ging en thuis tweehonderd stripboeken had. Op de middelbare school: meteen bijles Nederlands. Het was verwoestend voor mijn zelfvertrouwen. Libris Literatuur Prijs gewonnen, maar op mijn twaalfde: bijles Nederlands met kinderen die nog maar net in Nederland waren. Gelukkig gebruikte ik in de tweede week al het woord ‘obstakel’ in een zin. De juf was verbluft. Ze zei: je hoort hier niet.”

Foto Merlijn Doomernik

Aynur Tarhan

Aynur Isik werd in 1953 geboren in een dorp in Oost-Turkije, verhuisde op haar dertiende met haar ouders naar Izmir en woont sinds 1983 in de Bijlmer in Amsterdam.
Ze werkte tot haar pensionering als voedingsassistent in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam.

Foto Merlijn Doomernik

Murat Isik

Murat Isik werd in 1977 geboren in Izmir en werkte na zijn studie rechten veertien jaar bij de gemeente Amsterdam.
Hij debuteerde in 2012 met Verloren grond, een familiegeschiedenis. Zijn roman Wees onzichtbaar (2017) werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs en de Boekhandelsprijs.