Opinie

Herwaardering van de waarheid begint met twijfel

Filosofie Onwaarheid in de politiek bestrijd je niet met factchecks, schrijft . Het probleem ligt bij een gebrek aan waarachtigheid. Cultiveer het oprecht onderzoeken van het eigen gelijk.
De uitspraken van president Trump worden aan flarden gefactcheckt, maar het krediet bij zijn achterban blijft intact.
De uitspraken van president Trump worden aan flarden gefactcheckt, maar het krediet bij zijn achterban blijft intact. Foto Mandel Ngan/AFP)

Enkel wie de voorbije jaren onder een steen geleefd heeft kan het ontgaan zijn: de ontwaarding van waarheid in het politieke en publieke debat. Aan alle kanten van het ideologische spectrum leeft de overtuiging dat de waarheid met voeten getreden wordt door politieke tegenstanders. Verschillende termen die uitdrukking geven aan onze bezorgdheid over het teloorgaan van waarheid zijn geheel ingeburgerd geraakt: fact-free politics, alternatieve waarheden, hoaxen, nepnieuws, post-truth. Maar hoe moeten we het tij keren? Hoe kunnen we waarheid herwaarderen?

Diagnoses stellen van maatschappelijke problemen is altijd makkelijker dan er remedies voor vinden. Zo is het ook in dit geval. De voorbije jaren hebben veel media ingezet op factchecking. Maar het is inmiddels duidelijk dat de leugen niet uit het politieke discours verdwijnt door er factcheckers op te zetten. Je ziet het bij Trump en populisten steeds weer: elk van hun uitspraken wordt aan flarden gefactcheckt, maar het krediet bij de achterban blijft intact. Ook Bas Heijne merkte het twee weken geleden op in NRC: wie gelooft dat je complotdenken kan bestrijden met voorlichting en bewustwording probeert wolken te vangen in een vlindernet. De hamvraag blijft dan wel dezelfde: wat moeten we nu precies doen om leugens en desinformatie uit het politieke en publieke debat te weren?

Een pasklaar antwoord is er niet. Zo geloof ik zelf bijvoorbeeld sterk in de humaniserende kracht van kunst, in de kracht van muziek om ons meer empathische mensen te maken. Maar ik denk niet dat je van een leugenachtige populist een eerbiedwaardig politicus kunt maken door hem voor Picasso’s Guernica te plaatsen, of dat je een Russisch virtueel trollenleger ontwapent door het naar Pergolesi’s Stabat Mater te laten luisteren. Het zou naïef zijn om te geloven in een toverformule voor een betere politiek met minder leugens en desinformatie. Maar misschien zijn er wel enkele nuttige aanbevelingen voor een beter politiek klimaat mogelijk. Te beginnen bij deze: wil je niet dat politiek leugenachtig is, maak van politiek dan geen leugenachtige stiel.

Alle politici leugenaars?

Wanneer we de leugenachtigheid in de politiek willen bestrijden, moeten we ook de leugenachtigheid rondom de politiek bestrijden. De voorbije jaren is het bon ton om te beweren dat politici professionele leugenaars zijn. Dat politiek slechts om machtsspelletjes draait. Dat politici vooral hun eigenbelang nastreven en niet het algemeen belang. Die mening zie je niet enkel in anti-politieke hoek, bij aanhangers van populisten en niet-stemmers. In zijn boek Wat een theater toont de Vlaamse politiek filosoof Stefan Rummens mooi aan hoe wijdverbreid de overtuiging is dat politiek slechts een misleidende toneelvoorstelling is, bovendien opgevoerd door slechte acteurs. U kunt de proef op de som nemen. Voeg de trefwoorden ‘politici’ en ‘leugenaars’ in de zoekmachine in, en er verschijnt een hele resem opiniestukken in gerespecteerde dagbladen.

Maar dat zijn allemaal geen onschuldige overtuigingen. Het wordt immers een self-fulfilling prophecy: wanneer je politiek een leugenachtige stiel noemt, doet een politicus die de leugens aaneenrijgt ook maar gewoon zijn job. Dan legitimeer je de leugen. Dat merkte ook Vaclav Havel vele jaren geleden al op: „Zij die zeggen dat de politiek onfatsoenlijk is, dragen ertoe bij dat politiek zo wordt.”

Lees ook: Hard schelden op de politiek: het vernietigende werk van de salonpopulist

Ondanks de soms overweldigende hoeveelheid aan bewijsmateriaal voor het tegendeel, moeten we politiek nog altijd in de eerste plaats als een eerbaar en dienstbaar beroep zien. De leugen is altijd deel geweest van het politieke leven, zoals ook Hannah Arendt beschreef in haar essay Lying in Politics. Maar bestempel de leugen niet als norm, maar als aberratie, niet als een gangbaar onderdeel, maar als de verstoring van de politiek en de polis.

Liegen is moreel probleem

Als we de leugen willen bestrijden, moeten we ook goed weten wat leugens nu precies zijn. Vaak wordt een leugen als een feitelijk onjuiste uitspraak gezien. Als Trump zegt dat een historisch groot aantal mensen zijn inauguratie heeft bijgewoond en de feiten spreken dat tegen, dan liegt hij, toch? Maar belangrijker dan de feitelijke onjuistheid van een bewering, is de intentie waarmee zij gesteld wordt. Niet elke feitelijk onjuiste uitspraak is immers een leugen. Met de leugen gaat altijd de intentie gepaard om de ander te misleiden of te manipuleren. Het tegendeel van de leugen is niet zozeer waarheid (de feitelijke juistheid van een bewering), maar waarachtigheid: de oprechte, authentieke houding waarmee men een uitspraak doet. Daarom is een herwaardering van waarachtigheid nodig, als we leugens en desinformatie willen bestrijden. En in een post truth-tijdperk is die waarachtigheid des te belangrijker. Wanneer de leugen regeert, is waarachtig zijn een revolutionaire daad.

Het verschil tussen waarheid en waarachtigheid is subtiel, maar substantieel. Waarheid is een kwaliteit van een bewering. Waarachtigheid is een kwaliteit van mensen. Waarheid draait om epistemologie. Waarachtigheid om ethiek. Dat betekent dat de leugenachtigheid in het politieke discours geen kentheoretisch, maar een moreel probleem is.

Het is geen toeval dat onze post truth-tijd samenvalt met de opkomst van het populisme. Het populisme in de politiek is vaak een drijvende kracht achter het verspreiden van uitspraken die zo kort door de bocht gaan dat daarmee de waarheid en waarachtigheid helemaal uit de bocht vliegen.

Lees ook dit essay van Willem Schinkel: Trump ziet wat u niet ziet – de waarheid

Crisis van woorden

Het populisme is vaak als een stijl en strategie afgeschilderd. Maar daarbij dreigen we uit het oog te verliezen dat retoriek meer dan retoriek is, communicatiestrategie meer dan communicatiestrategie. De manier waarop we elkaar adresseren en met elkaar in dialoog treden is in de eerste plaats een morele kwestie. Het zijn nooit maar woorden. Het populisme reduceren tot een discours dreigt ons blind te maken voor de morele dimensie ervan. Het hanteren van krachttermen, polariseren, ophitsen, politieke tegenstanders beledigen en tot vijand bestempelen, over mensen en andersdenkenden spreken als ‘lowlife scum’ (Trump), als ‘stupide stuk onbenul’ (Baudet) of simpelweg als inferieur (‘najgorszy sort’, een populaire frase van de Poolse PiS-partij, die zoveel betekent als ‘de ergste soort mensen’): het is allemaal meer dan een manier van spreken. Het is de uitdrukking van een specifieke moraal én het is de uitdrukking van een morele crisis. Waarachtigheid is een morele deugd en bestaat uit zo oprecht en accuraat mogelijk in dialoog treden met elkaar. Dat betekent dat het populisme – met zijn hang naar simplificatie en agitatie (het tegendeel van accuraatheid) – niet louter een politiek fenomeen, maar ook een moreel probleem vormt. Hoe we met elkaar communiceren is een moreel gegeven. Precies daarom moeten we ons grote zorgen maken over de verruwing van het debat, polariserende retoriek, het verspreiden van nepnieuws, het legitimeren van de leugen. Een crisis van woorden is een crisis van waarden.

Daaraan herinnert ook de bekende uitspraak van Emmanuel Levinas: L’essence du discours est éthique: het wezen van het spreken is ethisch. Elk spreken is ingebed in de morele plicht van de mens om elkaar van aangezicht tot aangezicht tegemoet te treden. Oprechtheid is de primaire voorwaarde van menselijke interactie en communicatie. Wanneer de oprechtheid verdwijnt, verdwijnt ook de mogelijkheid tot harmonieus samenleven. En wanneer ons post truth-tijdperk zich kenmerkt door de alomtegenwoordigheid van leugens in het politieke en publieke debat, wijst dit niet in de eerste plaats op een gebrek aan feitenkennis, maar op een gebrek aan oprechtheid. De eerste eis die we aan een politicus in een harmonieuze samenleving mogen stellen is dan ook deze: wees oprecht. Wij zijn als burgers meer gediend met een politicus met wie we oprecht van mening kunnen verschillen dan met een politicus die weliswaar onze eigen ideologische overtuigingen verkondigt, maar een heimelijke huichelaar is.

Niet enkel het werk van Levinas, maar ook de filosofie in het algemeen kan ons helpen om terug wat meer waarachtigheid in het politieke en maatschappelijke debat te krijgen. Althans, de filosofie zoals die begrepen werd door Hans-Georg Gadamer, die stelde dat filosofie en kennis draaien om het verruimen en versmelten van onze geestelijke horizonten. Uit je eigen denkkaders treden, dat is het begin van alle inzicht. Voor wie daar niet toe in staat is, is nadenken niets anders dan een surplace van de geest. Toen Gadamer op hoge leeftijd gevraagd werd hoe hij zijn filosofie zou samenvatten, antwoordde hij met een enkele zin: Der andere könnte Recht haben. De ander kan gelijk hebben.

Twijfelen is niet relativeren

We hebben nood, niet aan factchecks of voorlichting, maar aan meer filosofische twijfel. Dat is allerminst een relativistische, waarheidsloochenende twijfel. Het is een twijfel die de waarheid eerbiedigt, en die begint bij de erkenning dat kennis van waarheid dialogisch tot stand komt. Filosofie draait niet om loutere feitenkennis, maar om wijsheid. De filosofische geest is een levensinstelling, een houding. Die kenmerkt zich enerzijds door de wil om te weten, de eerbied voor waarheid. Door een streven naar accuraatheid; de wil om onze overtuigingen zo accuraat mogelijk te vormen en uit te drukken. Anderzijds kenmerkt de filosofische levensinstelling zich door het besef van het niet-weten: de zelftwijfel en de kritische introspectie.

Die zelftwijfel missen we al te zeer in de politiek vandaag, en heus niet enkel in de populistische hoek. Zelftwijfel wordt te veel als een teken van zwakte gezien, van onstandvastigheid. Een politicus wordt dan algauw als een ‘draaier’ weggezet. Maar enkel wie niet nadenkt, verandert nooit van mening. En enkel wie niet twijfelt, ziet nooit redenen om zijn mening te herzien. De kwaliteit van een politicus groeit met zijn bekwaamheid tot kritische introspectie.

Lees ook dit essay van Luuk van Middelaar: Post-truth? Politiek is niet het domein van kennen en weten, maar van oordeel en overtuiging

Abraham Lincoln geldt niet toevallig voor velen als de grootste Amerikaanse president aller tijden. Hij was buitengewoon vaardig in het betwijfelen van alles en vooral van zijn eigen inzichten. Zelfkritiek is niet enkel een cruciale voorwaarde van voortschrijdend inzicht en een teken van intelligentie. Ze is ook een voorwaarde van democratische politiek tout court. Zelfkritiek dwingt je immers tot het innemen van andere gezichtspunten, en als je volksvertegenwoordiger bent is dat precies je opdracht: de belangen en bezorgdheden van anderen beter begrijpen en dienen. In een individu en in een democratie is zelfkritiek een sterkte, geen zwakte.

Ook wij burgers moeten de daimoon van zelftwijfel niet sussen, maar opzwepen. Wanneer we wat meer aan zelftwijfel lijden en aan kritische introspectie doen vooraleer we de publieke arena betreden, zal dat een minder polariserend debat tot gevolg hebben. De kans is immers kleiner dat we vastroesten in ons eigen grote gelijk. En als we minder vastzitten in ons eigen gelijk, is de kans groter dat we meer in waarheid leven. Immers: zij die in politieke en maatschappelijke kwesties dé waarheid menen te bezitten, zijn haar spoor meestal bijster. Dat meen ik oprecht, al kan de ander gelijk hebben.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.