Recensie

Recensie Boeken

Ruzie, jaloezie en geldgebrek: de avontuurlijke opgraving van het Bijbelse Megiddo

Archeologie Een toegankelijk boek beschrijft de beginjaren van de archeologie. Onderzoekers zaten lang in één huis, als in een soap.

Megiddo in Israel, 2017
Megiddo in Israel, 2017

Het telegram dat de Amerikaanse oudheidkundige James Henry Breasted ontving op 4 juni 1928, leek wel opgesteld in geheimtaal. De tekst luidde: ‘FIRST KINGS NINE FIFTEEN TO NINETEEN AND TEN TWENTYSIX.’

Het was echter geen code. De verzender, de Britse archeoloog Philip Langstaffe Ord Guy, citeerde uit de Bijbel. In het eerste boek Koningen, hoofdstuk 9, vers 15 valt te lezen: ‘Salomo liet de bouw van de tempel, het paleis, het Milobolwerk en de stadsmuur van Jeruzalem uitvoeren als herendienst, evenals de bouwwerken in Hasor, Megiddo en Heser’. En in hoofdstuk 10, vers 26 staat: ‘Salomo schafte ook wagens en paarden aan. Hij bezat veertienhonderd wagens en twaalfduizend paarden, die hij deels in Jeruzalem bij zich hield en deels onderbracht in garnizoensteden verspreid over het land.’ Om elke onduidelijkheid weg te nemen, voegde Guy eraan toe: ‘BELIEVE HAVE FOUND SOLOMOMS STABLES’.

Guy was de field director (hoofdarcheoloog) van de opgravingen die sinds 1925 werden gedaan in Megiddo (Palestina) door het Oriental Institute van de Universiteit van Chicago, waar Breasted directeur was. De naam Megiddo komt een tiental keren voor in het Oude Testament, maar de meeste mensen zullen de stad kennen onder haar naam uit het boek Openbaringen in het Nieuwe Testament: Armageddon. Op deze plek zou in de Eindtijd een grote veldslag tussen Goed en Kwaad plaatsvinden. In de beginjaren van de archeologie was men dol op dit soort bijbelse A-locaties, omdat ze het heilige boek met feiten konden onderbouwen.

Jaloezie

Over de vijftien jaar dat er in Megiddo gegraven is, heeft de Amerikaanse archeoloog Eric H. Cline (1960) nu een boek geschreven dat voor een breed publiek toegankelijk is: Digging up Armageddon. The search for the Lost City of Solomon. Cline, die in 2014 een onverwachte bestseller publiceerde met 1177 v. Chr. Het einde van de beschaving, gaat uitgebreid in op het wetenschappelijk werk dat in Megiddo werd gedaan, maar schrijft ook met veel empathie over de mensen die dat werk deden.

Met behulp van brieven, dagboeken en herinneringen reconstrueert hij het dagelijks leven op de opgraving. Daar was naast gezellige avondjes samen ook nogal eens sprake van jaloezie (sommige teamleden hadden hun vrouwen bij zich), ruzies, geldgebrek en verveling. Deze cocktail leidde soms bijna tot vechtpartijen. Een beetje een soap dus – niet zo gek als je een kleine groep mensen maandenlang bij elkaar in één huis stopt.

De grote man achter deze opgraving, en tal van andere opgravingen in het Nabije Oosten, was James Henry Breasted (1865-1935). Vanuit zijn kantoor in Chicago vertelde hij wat hij van zijn mensen in het veld verwachtte. Voor de opgraving in Megiddo was dat: zoek overblijfselen van de heerschappij van de Israëlische koning Salomo (tiende eeuw voor Christus) en uit de tijd dat Egypte over deze streek heerste (1500-1100 voor Christus), onder beroemde farao’s als Ramses II en Thoetmosis III.

Steenrijke olietycoon

Breasted was zelf in Megiddo geweest aan het begin van de jaren twintig en was bijzonder onder de indruk van de tientallen metershoge, onbewoonde heuvel die hij daar aantrof. Zo’n heuvel heet een tell, en is opgebouwd uit de restanten van steden die in de loop der tijd bovenop elkaar zijn gebouwd. Breasted wist: als we in deze layer cake gaan graven, komen we duizenden jaren beschaving tegen.

Terug in de Verenigde Staten klopte hij aan bij de steenrijke olietycoon en filantroop John D. Rockefeller jr. Die was bereid voor een aanvankelijke periode van vier jaar de opgraving te financieren. Met dat geld op zak begon Breasted met het samenstellen van zijn team, dat telkens wisselde van samenstelling en nooit veel groter dan een dozijn mensen zou zijn. De westerse archeologen werden gesteund door een groep van twee- tot driehonderd arbeidskrachten, deels lokale mannen en jongens, deels ervaren gravers uit Egypte.

Voorkeur voor jonge jongens

Breasted stelde in 1925 de architect Clarence Fisher aan als field director van de opgraving. Hij moest het terrein in kaart brengen en een hoofdkwartier bouwen waar kon worden gewerkt, het zogenoemde dig house. Dit bleek geen gelukkige keus, want eind 1926 kreeg Fisher al zijn congé, mede nadat er in brieven uit Palestina over hem geklaagd was. Naast zijn warrige manier van leiding geven, zou hij een opvallende voorkeur voor het gezelschap van jonge jongens aan de dag leggen.

Met de aanstelling van de Britse archeoloog P.L.O. Guy kon het echte werk eindelijk beginnen. Guy was Chief Inspector of Antiquities in Palestina en dus bij uitstek geschikt om de opgraving te leiden. Hij was zeer grondig. In de beginjaren van de archeologie was het niet ongewoon om meteen zo diep mogelijk te graven, richting de schat waarnaar je op zoek was. Dat je daarbij overblijfselen van andere beschavingen vernietigde, werd op de koop toegenomen. Guy moest hiervan niets hebben. Hij wilde de tell laag voor laag, tijdvak voor tijdvak, ontdoen van het archeologisch materiaal.

Wetenschappelijk was dit allemaal erg verantwoord, maar zijn methodische aanpak had één belangrijk nadeel: het ging langzaam. En in Chicago zat Breasted te springen om spectaculaire vondsten, mede om daarmee Rockefeller te verleiden tot een verlenging van de financiering. De vreugde was dan ook groot toen in 1928 de stallen van koning Salomo werden ontdekt.

Ondergrondse bron

Inmiddels staat vast dat dit complex helemaal niet afkomstig was uit de tijd van Salomo (tiende eeuw voor Christus), maar uit die van Ahab (negende eeuw) of zelfs Jerobam II (achtste eeuw), heel wat minder illustere figuren dan de koning die bekend stond om zijn wijze oordelen.

Naast deze spectaculaire ontdekking, vonden Guy en zijn team ook nog de tunnel waardoor de bevolking van Megiddo liep naar de ondergrondse bron die de stad van water voorzag. Dat was echter de laatste spraakmakende vondst. Er kwamen wel veel potscherven uit de grond – handig om met behulp van de stijl ervan een archeologische laag te kunnen dateren – maar de krant haalde je er niet mee.

Het langzame werken van Guy – hij schoot ook niet op met het wetenschappelijk publiceren van de vondsten – werd Breasted uiteindelijk te veel. Hij wilde dat er werd doorgegraven naar de Egyptische niveaus. Daarom ontsloeg hij Guy in augustus 1934.

Schatkamer

De nieuwe opgravingsleider was de Amerikaan Gordon Loud, die tot medio 1939 aan het roer zou staan. Hij groef wel op één plek door tot de bodem en trof in totaal twintig verschillende beschavingslagen aan. In de restanten van een gebouw dat ‘De Schatkamer’ werd genoemd, vond hij prachtige sieraden en voorwerpen van goud en ivoor uit de Egyptische tijd, precies waarop Breasted had gehoopt. Helaas overleed de drijvende kracht achter de expeditie kort voordat het nieuws over de vondst hem kon bereiken.

De opgraving van Megiddo werd uiteindelijk opgedoekt met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het Oriental Institute kwam er nooit meer terug, maar Israëlische archeologen zijn wel weer aan de slag gegaan op de tell. Cline was er twintig jaar lang te gast om te helpen bij de opgravingen. Met zijn boek heeft hij een warm spotlight gezet op een avontuurlijke periode in de geschiedenis van de archeologie. De niet ingevoerde lezer zal het soms een beetje duizelen van alle verschillende grondlagen en daaraan verbonden namen voor tijdvakken, maar dit boek is ook zonder archeologische kennis de moeite van het lezen waard.