Recensie

Recensie Boeken

Een roepende uil in de huwelijksnacht

Maggie O’Farrell Wat een hartverscheurende roman had kunnen zijn over een moeder die haar zoontje verliest, werd een te uitgesponnen historische roman waaraan Marco Borsato meegeschreven lijkt te hebben.

Geboorteregistratie van Shakespeares kinderen: bovenaan Hamnet.
Geboorteregistratie van Shakespeares kinderen: bovenaan Hamnet. Foto Getty Images

Het blijft een lastig genre, de historische roman. Sommige gaan aan vlijt ten onder. Neem Hamnet, de nieuwe, achtste roman van de Iers-Britse Maggie O’Farrell (1972), over de zoon van Shakespeare die op elfjarige leeftijd aan de pest overlijdt.

O’Farrell doet haar uiterste best om het Stratford van de zestiende eeuw en haar bewoners op te roepen. Meteen op de eerste pagina leren we dat Hamnet leren schoenen heeft waarvan de punten omhoog staan. Een deurkruk is niet gewoon een deurkruk, maar een ijzeren deurkruk. Een mand is van hennep. O, denkt de lezer, zo was het dus toen met schoenen en deurkrukken en manden. Hamnet rent naar buiten. ‘De geluiden van de handkarren, de paarden, de straatventers, de mensen die elkaar toeroepen, een man die een zak uit een hoog raam gooit, dringen niet tot hem door.’ Nee, maar wel tot de lezer, die zo een straatbeeld bijgebracht krijgt. Door al die nadruk op voorwerpen en locaties is het net of je in een openluchtmuseum rondloopt waar in historisch verantwoorde kledij uitgedoste medewerkers de zeden en gewoonten van de tijd laten zien.

Hilary Mantel doet dat beter in haar historische romans. Zij laat meer over aan de verbeelding van de lezer, en laat omgeving en objecten door de personages zelf zien. O’Farrell legt graag alles uit. Agnes, de toekomstige moeder van Hamnet, hoort in haar huwelijksnacht een uil. Sommige mensen, denkt Agnes, ‘zouden dat als een slecht voorteken zien, want de roep van een uil wordt beschouwd als een voorbode van de dood.’ Denkt ze dat laatste er ook bij? Dan toch vooral voor ons, de lezers.

Een roepende uil in de huwelijksnacht – subtiel is het niet, en het drama ligt er dan ook nogal dik bovenop in Hamnet. Met hetzelfde enthousiasme waarmee ze de couleur locale schetst haalt O’Farrell alles uit de kast als het gaat om het overbrengen van emoties. Soms is het of je een slecht kinderboek leest: ‘Agnes springt op. Is ze in slaap gevallen? Hoe kón ze?’ Op andere momenten is het net of Marco Borsato meegeschreven heeft: ‘Het zal de rest van zijn leven een open wond blijven, een leegte aan zijn zijde, als zij van hem wordt weggerukt. Hoe moet hij zonder haar verder? Dat kan hij niet. Dat is alsof je het hart vraagt zonder de longen te leven, alsof je de maan uit de lucht trekt en de sterren vraagt haar werk over te nemen, alsof je de gerst vraagt te groeien zonder regen.’

En Hamnets vader? Dat Hamnet en Hamlet dezelfde naam is, wordt in een motto van de roman al verklaard, en het boek eindigt met een opvoering van Hamlet, vier jaar na de dood van Hamnet; maar William Shakespeare speelt een bijrol in het verhaal. Hij is dan ook vaak weg, omdat hij zich in Londen bezighoudt met theater. Nergens in het boek wordt hij met zijn naam aangeduid, hij is ‘de vader’ ‘haar echtgenoot’ ‘de zoon’, ‘de leraar Latijn’. Zo wordt benadrukt dat Shakespeare onderdeel was van een groter geheel, geen tijdloos stralende ster. Maar als personage zonder naam wordt hij dan toch weer apart gezet, alsof er iets gruwelijks zal gebeuren zodra zijn naam wordt genoemd.

De roman draait om Agnes, de vrouw van ‘haar echtgenoot’, een wijze vrouw met voorspellende gaven en veel verstand van kruiden. Ondanks die kennis kan ze haar kind niet redden. Dat is het drama van deze roman, waarin ook dingen wél gelukt zijn. O’Farrell zorgt voor spanning door deskundig twee verhaallijnen te vervlechten. Haar beeldspraak is niet altijd gelukkig (een ruggengraat als een karrenspoor in de sneeuw, tepels van ontblote borsten zijn ‘bruinroze ogen’ die ontzet kijken), maar er is een mooi en verrassend, diverse continenten bestrijkend hoofdstuk waarin beschreven wordt hoe de pest in het gezin van Agnes terechtkwam, en de roman weet ook oprecht te ontroeren, bijvoorbeeld wanneer Hamnets tweelingzusje na de dood van Hamnet vraagt waarom er geen term is voor het deel van een tweeling dat alleen achterblijft, terwijl we wel woorden hebben als weduwe en weduwnaar.

Hamnet had een meeslepende en zelfs hartverscheurende roman kunnen zijn over een moeder die haar zoontje verliest, en over de onderlinge band van tweelingen. Dat het dat niet is geworden komt doordat O’Farrell je te hard wil meeslepen, en je te veel wil laten zien.