Hardlopen is deze maanden voor veel mensen een manier om fysiek en mentaal gezond te blijven. Voor Dennis Boxhoorn is dat altijd al zo geweest.

Het Grote Verhaal

Een crisis kom je lopend door

Door Dennis Boxhoorn. Illustraties Jaime Jacob. 5 juni 2020

Hardlopen is deze maanden voor veel mensen een manier om fysiek en mentaal gezond te blijven. Voor Dennis Boxhoorn is dat altijd al zo geweest.

Als ik ren word ik rustig. Dat is al zo sinds mijn stiefvader me als jochie rondjes liet maken op een atletiekbaan, mijn toevluchtsoord op dagen dat mijn moeder er vroegtijdig tussenuit probeerde te knijpen en dan in het psychiatrisch centrum moest worden opgenomen. Ik had geen idee wanneer ik haar weer kon zien, maar rennen hielp, als medicijn tegen gemis en een knagende onzekerheid.

Op hardloopschoenen kon ik letterlijk wegrennen van de situatie, als die te beangstigend werd om roerloos te ondergaan. Bij terugkomst was de ergste paniek dan voor even verdwenen. Hardlopend maakte ik vriendjes, beleefde ik avonturen, en verbond ik me aan de man die me zomaar op mijn tweede adopteerde toen hij een gezin aantrof dat door een alcoholist was achtergelaten. Of hij was weggestuurd – dat heb ik nooit helder gekregen. In die periode was mijn moeder nog iemand op wie je gemakkelijk verliefd kon worden, zolang medicijnen haar demonen op afstand hielden.

Mij kreeg hij er gratis bij.

Ik noemde hem bij zijn voornaam, nooit ‘pap’, hoewel niemand anders die titel verdient. Hij was jeugdtrainer bij de atletiekclub, en vanaf mijn zesde trainde ik vaak onder zijn leiding. Nadat hij scheidde van mijn moeder bleven we samen lopen. Sinds we ieder ons eigen leven hebben en we elkaar van een afstandje in de gaten houden, checken we regelmatig bij de ander of er nog gelopen is. Als we daar ruimte voor blijven maken, zorgen we goed voor onszelf. Hebben we een tijdje niet gelopen, en is dat niet te wijten aan fysieke problemen, dan weten we dat er iets mis is.

Hij rende, en leerde mij rennen. Ook, of misschien juíst, als het leven tegenzit. Hij kan het weten. Hij verloor jong zijn ouders en zijn kleine broertje bij een auto-ongeluk en slaagde er toch in, door religie maar ook door te blijven lopen, de goede kanten van het leven te blijven zien.

Een van mijn eerste herinneringen brengt me terug naar de jaarlijkse hardloopwedstrijd in het dorp waar we woonden, het was Koninginnedag. In het gedrang na de start viel ik een gat in mijn knie. Ik wilde huilend naar mijn moeder rennen, maar hij raapte me op, en samen liepen we de wedstrijd uit. Het jaar erop won ik de wedstrijd met overmacht. Het jongetje achter mij braakte van vermoeidheid.

Aan de finish stonden mijn moeder en de schooljuf met open armen klaar. Ik kreeg een medaille omgehangen die ik nog altijd koester, omdat ik er als held van het moment de pesterijen een tijdje mee kon indammen, en er voor maanden zelfvertrouwen uit putte.

Dat mechanisme is nooit verdwenen: een lekkere run betekent een energieke dag en een heldere kop.

In het dorp wisten ze alles over ons, tenminste, dat dachten ze, zoals dat gaat in een kleine gemeenschap. Een paar keer per jaar kwam er een ambulance om mijn moeder naar het ziekenhuis te brengen, dan had ze het idee dat ze door de duivel zelf gehaald werd. Dat nieuws ging zonder context via de groenteboer, de supermarkt en de voetbalclub het dorp rond. Ze was soms zo in de war dat ze geen puf had om mijn haren netjes te kammen of op tijd nieuwe kleren te kopen, dus er waren dagen dat ik wat verkreukeld in het klaslokaal zat. Kinderen kunnen meedogenloos zijn. Ze weten precies wie zich kan verweren en wie niet.

De atletiekbaan lag in een stad vijf kilometer verderop. Daar wisten ze niet van mijn thuissituatie, of in elk geval hadden ze er geen belang bij erover te praten. Ik werd er niet veroordeeld, kon er rondrennen en mezelf zijn tussen mensen die voor mijn gevoel altijd vrolijk waren, en vol energie. Ik voelde me er veilig, en in mijn tienerjaren begon ik te begrijpen dat ik hardlopen kon inzetten om een crisis te bezweren.

Illustratie Jaim Jacob

Nu de wereld soms een angstige plek lijkt te zijn geworden door een virus dat mensen ineens de adem kan benemen, heb ik het geluk dat ik kan gaan rennen om van alles los te zijn.

Dus trek ik op een dinsdagochtend om half elf na het ontbijt de deur achter me dicht voor een rondje in de polder. Het is kraakhelder voorjaarsweer, net warm genoeg voor kort-kort; blote armen, blote benen. Ik ben de dijk nog niet af of de vermoeidheid bijt zich al in mijn bovenbenen. Op mijn horloge zie ik mijn hartslag snel oplopen. Boven de 150 slagen per minuut kom ik in ademnood – geen lekker gevoel in tijden waarin zuurstof schaars lijkt. Ik zal het rustig aan moeten doen, maar ik houd niet van rustig aan. Want hoe harder ik mijn lichaam laat werken, hoe kalmer het in mijn hoofd wordt, meestal.

Boven een bepaald tempo wordt het zelfs helemaal stil daarboven, alsof het lichaam het brein dan automatisch op een laag pitje zet.

Over de Jisperdijk ren ik door het dorpje Neck, met restaurant Mario op de hoek, ooit de eerste Italiaan in Nederland met een Michelinster, nu al weken potdicht en in financiële moeilijkheden. Met de verkoop van waardebonnen voor een uitgesteld diner proberen ze overeind te blijven. Ik heb geen idee of ze daarin slagen, maar op hun Instagram-pagina blijven ze foto’s publiceren van verse pastavellen en huisgemaakte tiramisu, die ze kennelijk in aanzienlijke aantallen naar mensen brengen die zichzelf thuis op een etentje trakteren. Mario zit er al sinds 1967, hij heeft een boel crises overleefd, maar nu staat het water hem echt aan de lippen. Ik neem mezelf voor om na corona op een zondagmiddag een tafel te reserveren en er samen met mijn vriendin uitgebreid te gaan eten voor veel te veel geld.

In het pand naast Mario heeft zoon Emilio een pizzeria. Ze zijn alleen nog open om af te halen. Ik bestelde er onlangs een pizza met pittige salami – omdat ik er veel van verwachtte en omdat het me een goed gevoel gaf de noodlijdende zaak te steunen.

Ik steek schuin de weg over, via een groenwit ophaalbruggetje dat niet zou misstaan op een ansichtkaart uit Waterland, en meteen links de dijk weer op, langs een lange rij woonboten. Een dame in een winterjas en een dikke sjaal roept met luide stem over de Ringvaart van de Wijde Wormer van alles naar een vriendin, die in haar ochtendjas in de deuropening van haar woonark staat. Koffieleuten anno nu.

Na de bebouwing is er aan weerszijden alleen nog het grasland. Het orkest van watervogels overstelpt het geroffel van mijn schoenen op het asfalt en ik waan me in een soundscape van Menno Bentvelds Vroege Vogels op een ontluikende zondagochtend. Ik probeer te beseffen dat ik het goed heb zo, dat er ook landen zijn waar mensen echt geen kant op kunnen, niet eens zo ver van hier.

Ik ben een kind van de polder, maar in de voorbije tien jaar verloor ik in de grote stad dikwijls het contact met de natuur. Sinds een paar maanden heb ik de weilanden weer om de hoek, en val ik tijdens een rondje rennen van de ene verbazing in de ander – ik kreeg al eens kippenvel bij het zien van baltsende futen, werd blij van onbeholpen lammetjes die veel te gulzig tegen moeders uier stoten om er melk uit te krijgen, en ook van het lichtspel aan de horizon bij de laatste zonnestralen van een bewolkte dag, toen ik heel even, een paar tellen maar, het idee kreeg dat ik in het dreigende wolkendek net als mijn moeder dingen zag die er niet waren, maar ik gniffelde erom, omdat ik niet geloof dat ik de aanleg voor waanbeelden van haar heb geërfd, noch ben ik, in mijn jongste jaren door de ziekelijke machtswellust van een ander – haar vader, mijn opa, misbruikte haar – zo diep beschadigd geraakt dat er onuitwisbare groeven op mijn ziel zijn gekerfd.

Nee, de schoonheid van het alledaagse zal wel gewoon wat harder binnenkomen nu de wereld om me heen naar adem snakt.

En ik ben daarin niet de enige. Op het journaal hoorde ik dat mensen zich ineens van de aanwezigheid van vogels bewust zijn. Door het ontbreken van brullende vliegtuigen schijnen we ons te verbazen over soorten die al duizenden jaren dezelfde riedeltjes zingen en nesten aanleggen in dezelfde rietkragen. Vóór corona gingen we soms voor een paar tientjes op zoek naar een plek elders in de wereld waar het gras groener zou zijn, want zo stond dat op internet beschreven, maar volgevreten met vluchtige indrukken vergaten we dat schoonheid ook in de ringvaart rondzwemt. Hoe vaak ik de afgelopen tijd geen posts op sociale media voorbij heb zien komen van mensen die binnen een straal van vijf wandelkilometers van hun woning een compleet nieuwe wereld ontdekten, eentje die onontgonnen aanvoelt, maar waar we altijd, met de gedachten elders, overheen keken. Ik deed er zelf net zo hard aan mee: ik vloog vorig jaar voor 250 euro naar New York en weer terug, meer nog omdat het kon dan omdat ik het wilde. Reizen is ook wegrennen voor een prikkelarm bestaan.

Boven een bepaald tempo wordt het zelfs helemaal stil daarboven

Rechts van de dijk zit een bruine roofvogel op een paal, het moet haast wel een buizerd zijn, een groot exemplaar, want ik zie haar al op honderd meter afstand over de velden speuren. Ik probeer me voor te stellen hoe het moet zijn om niets van de chaos waarin de mensheid is beland af te weten, en gewoon met de vleugels ingeklapt over landerijen te turen, op zoek naar voedsel. Als mijn naderende gestalte haar te dreigend wordt, zet ze zich met haar klauwen af van het hout en zweeft ze over een broedend eendenpaar naar de volgende paal. Zo zou ik het leven ook moeten indelen, bedenk ik. Gewoon van paal naar paal vliegen, van dag naar dag, van uur naar uur, zonder na te denken over straks, vanavond, of morgen. Maar ik zoek altijd naar uitwijkmogelijkheden.

Sinds het overlijden van mijn ouders – ik was achttien, ze gingen een half jaar na elkaar, mijn moeder was leeg, moegestreden, op, en mijn verwekker dronk zich kapot – heb ik het leven in de zesde versnelling staan, moet ik alles hebben en wel nu, omdat ik ervan overtuigd ben dat de dood ook mij op de hielen zit, zéker op de dagen dat de ambulances door de straten loeien en alle nieuwsbronnen berichten over ziekte en sterven. Ik trouwde jong, kreeg een dochter terwijl ik daar nog niet klaar voor was, scheidde weer, werd co-ouder, kocht een huis, en hervond in Frankrijk de liefde – al het voorgaande in een tijdsbestek van vier jaar. Ik wil zoveel mogelijk leven in zo kort mogelijke tijd. Ervaren, voelen en doen, voor het te laat is.

Maar sinds de uitbraak van het coronavirus is daar geen ruimte meer voor. Er zijn geen zeven sloten waar ik tegelijk in kan banjeren, net als iedereen moet ik thuisblijven en me zien te redden in een wereld die tot stilstand is gekomen.

Veelal alleen, sinds ik halverwege maart met een van de laatste vluchten van Air France en vijf medepassagiers terugvloog van Marseille naar Amsterdam, en mijn vriendin voor onbepaalde tijd achterliet om bij mijn dochter te kunnen zijn. Als ik het vaderschap serieus nam, was dat de enige juiste keuze, maar dat betekende ook voor langere tijd afscheid nemen van mijn partner. Ondanks de afstand misten we elkaar nooit langer dan twee weken, maar dit keer wisten we niet wanneer we elkaar weer zouden zien. Die onzekerheid haalde de pijn van vroeger naar boven; wel samen willen zijn, maar dat niet kunnen.

Illustratie Jaim Jacob

Terug aan de dijk was het stil, zeker op de dagen dat ik mijn vijfjarige dochter naar haar moeder had gebracht en bij thuiskomst de rondzwervende legoblokjes in de woonkamer me als een stomp in mijn maag deden beseffen dat ze er niet meer was.

Ik genoot heus van de watervogels die langs mijn huis zwommen en vrolijk hun instinct volgden nu de lente was begonnen, maar ik wist dat ik mijn hardloopschoenen aan moest trekken om de lusteloosheid voor te blijven.

Er is ook een periode geweest dat ik verkoos destructief te zijn, omdat dat de makkelijkste pijnstiller leek, vooral ’s avonds en ’s nachts. Na de dood van mijn ouders ben ik het een hele tijd op een drinken gaan zetten. Ik werkte in een café en hoefde na sluitingstijd alleen maar onder de tap te hangen. Van rennen kwam het niet meer. Op foto’s van toen zie ik een ronde biertoet en een ongelukkig mens. De gedachte niet te willen eindigen als mijn vader en het feit dat ik werd ingeloot voor de studie journalistiek zorgden voor een ommekeer. Hardlopen kwam vanzelf weer toen de ergste wanhoop was verdampt, maar nog steeds heb ik moeite om consequent te blijven bewegen, ook al ben ik er tijdens de roes van een run van doordrongen dat het me in de donkerste dagen overeind houdt. Er is altijd een drempel die ik over moet. De eerste meters kosten me elke keer de grootste moeite.

Rennend over de Jisperdijk valt me op dat het water er zo hoog staat dat het met een beetje fantasie lijkt alsof je er zo op kan stappen en onderdeel kan worden van de natuur. Het is praktisch windstil in de polder, dat gegeven alleen al vind ik een cadeautje, omdat het dit voorjaar nooit leek te stoppen met waaien.

Uit tegengestelde richting komt een jonge vrouw gefietst, met rechts van haar, aan de veilige kant, een meisje van een jaar of acht, negen. Ze glimlachen, zeggen vrolijk gedag. In de voortuin die bij een oude stolpboerderij hoort, daar waar de dijk overgaat in de Dorpsstraat van Jisp, staat een echtpaar op leeftijd onder een bloeiende magnoliaboom hardop de crisis te bespreken met een voorbijganger in een blauwe overall. „Maar ja”, zegt de dame, „er komt een dag dat we weer naar buiten mogen.” Er wordt instemmend geknikt.

Voorbij een volgende brug passeer ik een dame met twee blonde vlechten over haar schouders gedrapeerd. Ze laat zich in een oude wagen langzaam voorttrekken door een lichtbruine shetlandpony. „Mohge”, groet ze met een tevreden glimlach. In zo’n eeuwenoud waterdorpje zal dit de gemoedelijkheid van een doorsnee dinsdagochtend zijn, het leven kabbelt er voort, op nog geen vijftien kilometer van de hoofdstad. Ik vind troost in de gedachte dat het hier altijd rustig is, ook in tijden waarin een virus de wereld over waart.

Ter hoogte van de plaatselijke voetbalclub keer ik om, zodat ik op twaalf kilometer uit zal komen. Mijn tempo zakt steeds wat verder in, maar ik probeer daar geen acht op te slaan. Aan de rechterkant van de weg staan twee motorrijders in lederen pakken pauze te houden. Hun parfum ruik ik op meer dan anderhalve meter afstand. Daar is de dame met de twee vlechten weer, en een paar kilometer verderop komen moeder en dochter me nogmaals tegemoet. „Rustig aan he”, roept de jonge vrouw, „het is veel te heet.” Het is alsof ze de worsteling op mijn voorhoofd ziet staan en uit mededogen het mooie weer er in één adem bij noemt. Ik neem me voor haar advies op te volgen en mijn ochtendloopje in kalmte te volbrengen.

Aan de voordeur leun ik hijgend voorover, met mijn handen op mijn knieën. Mijn nieuwe buurman vraagt hoe ver ik gerend heb, en als ik „twaalf” antwoord, zegt-ie „téring”. Voor niet-lopers is elke afstand een hele prestatie. Hij zegt een wandelaar te zijn, maar een paar dagen later stuurt hij een appje met een foto van een hardlooprondje van zes kilometer langs de Elbe bij Cuxhaven, waar hij vier weken lang baggerwerkzaamheden uitvoert. Ik mag graag geloven dat mijn blije gezicht hem ook tot een rondje rennen heeft aangezet.

Binnen ga ik met een glas bubbelwater nog hevig zwetend achter mijn laptop zitten en tik ik in steekwoorden op wat ik voelde en welke inzichten ik tijdens het lopen zag passeren. Er zijn trainingen bij dat ik in mijn hoofd al volledige romanideeën aan een uitgeverij mail, maar nooit neem ik na afloop even de tijd om die helderheid in woorden te vangen. Nu wel.

Ik kijk naar buiten, zie wat hardlopers aan de andere kant van het Noordhollandsch Kanaal. Inderdaad, dat aantal is toegenomen sinds het virus uitbrak, mensen willen afvallen nu vermoed wordt dat het aan vetreceptoren kan binden. Bovendien is rennen de goedkoopste en makkelijkste sport om mee te beginnen; met een paar schoenen kom je al een heel eind.

Verder is de wereld nog precies hetzelfde als een uurtje geleden.

Mijn dochter wordt dit jaar zes, ik ga haar meenemen naar de atletiekbaan

Zittend aan mijn eettafel voel ik het optimisme, de lichtvoetigheid en het zelfvertrouwen dat tijdens het hardlopen door mijn hoofd zweefde met elke hartslag wat verder naar de achtergrond verdwijnen. Soms vind ik een antwoord op iets waar ik mee zit, als de mist wegtrekt en ik helder zie dat ik mijn excuses moet aanbieden omdat ik tekeerging tegen mijn ex, of juist harder moet zijn als ik meer tijd met mijn dochter opeis. Vaker ben ik gewoon heel even tevreden met wat ik heb en waar ik ben. De spierspanning in mijn benen en romp herinnert me er nog een paar dagen aan dat ik fysiek prima in orde ben.

Als ik langer dan twee weken niet loop, word ik oervervelend, onzeker over mijn lijf en doe ik narrig tegen de mensen die ik het meest liefheb. Als ik verstrikt raak in mijn gedachten en emoties zijn mijn ogen zwart, zegt mijn vriendin. Het enige antwoord is dan een eind gaan hollen, om de rust weer te vinden. In een crisis als deze moet de frequentie van mijn loopjes omhoog.

Hardlopen is mijn antidepressivum, mijn religie zonder boekwerk of een god. Er hoort geen belofte of gelofte bij, en soms werkt het averechts, als mijn lichaam niet doet wat mijn hoofd wil, of andersom. Van de realiteit wegrennen kan ik niet, en ook niet van mezelf. Dat hoeft ook niet. Ik realiseer me steeds vaker dat ik geluk heb dat ik rennend de dingen voor even op een rijtje kan krijgen, waar ik ook ben. Dat volstaat.

Mijn moeder heeft nooit de kans gekregen om te gaan hardlopen, daar was ze veel te ziek voor. Als ik me haar op hardloopschoenen voorstel, moet ik grinniken. Het is niet voor iedereen een reddingsboei. Ik heb een oudere zus die niet aan rennen moet dénken. Het is net waar je groot mee geworden bent.

Mijn vriendin deed ik vorig jaar een paar hardloopschoenen cadeau. Samen zouden we de halve marathon van Barcelona lopen. Ik zou haar kennis laten maken met de grootste vorm van verbondenheid die ik ken. Met duizenden tegelijk door een stad rennen, aan de finish soms huilend van vermoeidheid en geluk. Na de marathon van New York viel ik wildvreemden in de armen, een dag later kreeg ik met de medaille om mijn nek high fives op straat. Het zijn scénes uit vervlogen tijden.

Mijn dochter wordt in november zes. Dan zal ik haar meenemen naar de atletiekbaan, waar ze zelf kan uitvinden of gooien, springen en rennen ook voor haar wat is.

Voor ik ga douchen stuur ik het hardlooprondje als schermafbeelding naar mijn stiefvader. „Zo! Lekker tempo”, antwoordt hij.

Ik haal diep adem en ontspan mijn schouders.

Illustratie Jaim Jacob