Profiel

De uitgever, de bankier en de bierbrouwer

Familie Van den Brink Deze week is Dolf van den Brink III begonnen als bestuursvoorzitter bij Heineken. Vader Dolf zat in de top bij ABN Amro, opa Dolf bij Elsevier. Portret van drie generaties in het Nederlandse bedrijfsleven.

Dolf III, I en II in 1994.
Dolf III, I en II in 1994.

Daar staan ze: Dolf van den Brink, Dolf van den Brink en Dolf van den Brink. De oudste in het midden. Trots, rechtop, kijkt hij net langs de camera. De foto is uit 1994, hij viert zijn 75ste verjaardag in museum Singer in Laren.

Rechts naast hem zijn oudste zoon, 45 jaar oud, wit pochetje, klein lachje, eenzelfde grote bril. Links zijn oudste kleinzoon, een broekie nog, 20 jaar. Niet in smoking, zoals zijn vader en opa, wel met een vlinderdas.

Drie generaties uit een geslacht van Larense erfgooiers: de topman van uitgeverij Elsevier, inmiddels in ruste. De bankier in de raad van bestuur van ABN Amro. En de student filosofie en bedrijfskunde, die nog aan zijn carrière moet beginnen.

In 1997, drie jaar later, zal hij afstuderen en het jaar daarop als trainee bij Heineken worden aangenomen. In 2005 stuurt Heineken hem naar Congo: een lastige plek, waar hij zichzelf bewijst. Daarna volgen directeursposten in achtereenvolgens de Verenigde Staten, Mexico en Azië.

Een wonderboy die het perfecte carrièrepad binnen Heineken aflegt, schijnbaar onvermijdelijk op weg naar de hoogste baan waaraan hij deze week is begonnen: bestuursvoorzitter. De nu 46-jarige Van den Brink volgt Jean-François van Boxmeer op, die Heineken ruim vijftien jaar heeft geleid.

Lees ook: Na vijftien jaar als topman van Heineken vindt Van Boxmeer het mooi geweest

Een portret van drie succesvolle generaties.

Dolf I Een eigenzinnige leider

Toenmalig prinses Beatrix in 1963 met links naast haar de topman van Elsevier, Dolf van den Brink I.

Foto Ge van der Werff/ ANP

‘In Paradiso’, stond op het smeedijzeren hek naar de tuin van villa Berghuizen. Dolf van den Brink, toen pas getrouwd, trok er eind jaren veertig in met zijn vrouw Nettie. Bij uitgeverij Elsevier was hij net gepromoveerd tot adjunct-directeur. Hemelsbreed was het nog geen twee kilometer van de plek waar hij werd geboren, in het centrum van Laren.

Dat maakte hem een echte Van den Brink: de familie is al eeuwen geworteld in de streek. Hun achternaam verwijst naar de Larense Brink, het dorpsplein. Ze zijn afstammelingen van katholieke erfgooiers, boerenfamilies die in de Middeleeuwen het gebruiksrecht hadden gekregen over de Gooise gronden. Woest gebied, waar ze hun schapen lieten grazen.

Vanuit zijn werkkamer keek Dolf van den Brink uit over de tuin van villa Berghuizen: de grote sequoia, een kas vol orchideeën en het pluimvee dat hij er verzamelde. Kalkoenen, kippen, parelhoenders en – zijn favorieten – witte pauwen.

Als hij aan zijn grootvader denkt, dan denkt hij aan deze studeerkamer, schrijft de jongste Dolf van den Brink in de inleiding van de onlangs over zijn opa verschenen biografie Dolf van den Brink, Een hoofd voor cijfers, een hart voor de kunst. „Een enkele keer trof opa mij aan in deze kamer, terwijl ik stiekem een van de oude boeken in mijn handen had, iets wat uitdrukkelijk verboden was. Ik vreesde een draai om mijn oren, maar hij vond het prachtig dat iemand (enige) interesse had in zijn boeken. Opa was een trotse uitgever.”

Dat was een heel ander vak dan dat van zijn vader – sterker, dan van een hele trits voorvaderen. Rudolf Engelbert Maria van den Brink werd in 1919 geboren, in het huis bij de Larense tapijtfabriek Van den Brink & Campman. Zijn vader Cornelis was er mededirecteur, de vijfde generatie Van den Brink die tapijten maakte.

Eventjes werkte Dolf I in de fabriek, in 1937 en ’38. Daarna hield hij het voor gezien. Te veel familie op elkaar. „Het is natuurlijk een zegen geweest dat ik mijn werk vond buiten familieprotectie, dus door invechten”, zou hij jaren later opschrijven in een persoonlijk document. Net als zijn oudere broer Jan – die minister van Economische Zaken zou worden in 1948 – kreeg hij de mogelijkheid te gaan studeren: economie in Tilburg.

Dolf I vond het nuttig om ook met de kinderen functioneringsgesprekken te hebben

Door zijn vader Cornelis was hem ingeprent dat hij moest „weurke, weurke en nog eens weurke!”. En dat deed hij. In het staartje van de Tweede Wereldoorlog, in 1944, trad Dolf I in dienst bij Elsevier. Tien jaar later, 35 jaar oud, was hij president-directeur. De bescheiden uitgeverij groeide onder zijn leiding uit tot een bedrijf met vijfduizend werknemers. De omzet verhonderdvoudigde in 25 jaar tijd, met name door opslokken van concurrenten.

Zijn laatste grote daad: de fusie met de Nederlandse Dagblad Unie, toen uitgever van NRC Handelsblad. Die werd afgerond net voor hij in 1979 stopte als hoogste baas.

Een makkelijke man was Dolf I niet. Als baas was hij streng, nors. Dat kon hij ook zijn in de ‘studeerkamergesprekken’ die hij met zijn zeven kinderen hield. „Bij het bedrijf waren functioneringsgesprekken geïntroduceerd. Hij vond het wel nuttig om die ook met de kinderen te hebben”, zegt Joan Hemels, die het boek Dolf van den Brink schreef op verzoek van diens zoon Dolf.

Onno van den Brink (66), de vijfde van de zeven, kan zich die studeerkamergesprekken nog goed herinneren. „Waar hij zich ontzettend aan ergerde, is dat wij in onze studententijd ook andere dingen deden, waardoor wij matig studeerden. Dan werd je in de studeerkamer uitgenodigd en kreeg je de wind van voren. Mijn vader had ons voorgehouden: als je talenten hebt, moet je ze gebruiken.”

Minstens zo trots op zijn carrière was Dolf I op ‘zijn’ Singer. Laren was lange tijd zo straatarm dat schilders als Anton Mauve er kwamen om tafereeltjes van ploeterende boeren te maken, maar de plaats was steeds welvarender geworden. „Dolf vond dat Laren wel wat kunst kon gebruiken”, zegt Hemels. „Zodat het niet zomaar een boerendorp met wat chique villa’s was.” Vanaf 1955 was hij bijna 35 jaar betrokken bij de stichting van Singer, en peuterde hij geld los voor het museum, dat – nog steeds – nauwelijks overheidssubsidie krijgt.

Je inzetten voor de gemeenschap, Joan Hemels noemt dat „de erfgooiersmentaliteit”. De gemeenschappelijke gronden waarop de erfgooiers historisch aanspraak hadden, waren in de twintigste eeuw verkocht, de opbrengst onderling verdeeld onder de verschillende erfgooiersfamilies. „Veel van die families hebben daar jarenlang geld van gehad. Maar er werd heel veel in gezamenlijke projecten gestoken.”

In 1997 overleed Dolf van den Brink, vlak voor zijn 78ste verjaardag. Op de rouwbrief koos de familie voor de tekst die ook op zijn tuinhek stond: In Paradiso.

Dolf II Een traditionele bankier

Dolf van den Brink II, lid van de raad van bestuur van ABN Amro, in 1998.

Foto Maurice Boyer

Natúúrlijk piekerde hij er niet over om bij Elsevier te solliciteren, het bedrijf waar zijn vader topman was. Hij wilde op eigen kracht een carrière opbouwen. Maar na zijn studie economie aan de Universiteit van Amsterdam wilde Rudolf Gijsbert Carel van den Brink ook beslist niet naar de Amro-bank, de voorloper van de latere fusiebank ABN Amro. Daar zat oom en voormalig minister Jan van den Brink in de raad van bestuur.

Dus koos hij in de jaren zeventig voor tegenhanger ABN. Dat hij na een fusie in 1991 alsnog bij ABN Amro zou gaan werken, deerde niet. Dolf II had toen zijn naam al gevestigd. Zes jaar na de fusie zat hij, zoals zijn oom Jan eerder, in de raad van bestuur.

Dolf II was in die tijd vrijwel altijd aan het werk, zegt Frank Heemskerk. De latere staatssecretaris van Economische Zaken voor de PvdA was Van den Brinks rechterhand bij ABN Amro en schreef onder meer zijn speeches. „Dan ging om acht uur ’s ochtends de telefoon en wist ik dat hij ze al gelezen had. Hij zat altijd om kwart over zeven vanuit Laren in de auto en was ook alle avonden aan het werk.”

Volgens Heemskerk stond Van den Brink binnen de bank als „streng en verstandig” bekend. „De man van grote macro-economische theorieën, maar wat afstandelijk in de omgang. Toen ik voor het eerst bij hem thuis kwam, zag ik een heel andere Dolf van den Brink. Heel warm. Ik kreeg een knuffel.” Zijn boodschap aan Dolf II: laat dat op de werkvloer ook eens wat vaker zien. „Hij kwam van een andere generatie. Vroeger was het allemaal wat zakelijker. Nu willen mensen authenticiteit.”

Dolf II was een ‘traditionele’, voorzichtige bankier. Hij zette zich af tegen het ‘machobankieren’ van grote risico’s en grote bonussen, dat in de jaren negentig aan populariteit won.

Met de komst van Rijkman Groenink als topman in 2001 wonnen de machobankiers. In 2002 hielden Van den Brink en twee bestuursleden het voor gezien. Aan het begin van de bankencrisis in 2008 maakte hij publiekelijk zijn excuses, een mea culpa, voor de rotzooi die de sector ervan had gemaakt: „Wij dienen ons diep te schamen. Ik schaam mij in ieder geval zeer.” ABN Amro was toen net een week genationaliseerd.

Terugkijkend op zijn bankierstijd zei hij in 2010 in NRC dat hij nooit de ambitie had gehad om de top te bereiken, misschien omdat zijn vader „dag en nacht” werkte. Maar het sloop erin: „Voor ik het wist, werkte ik toch te hard.” De jongste van zijn vier kinderen, de oudsten waren al uit huis, heeft hem toen „nauwelijks gezien”, zei hij.

Hij zei altijd: Laren klinkt chic, maar we zijn gewoon schapenboeren

Frank Heemskerk Van den Brinks rechterhand bij ABN Amro

Na zijn ABN-carrière werd Van den Brink bijzonder hoogleraar bank- en effectenbedrijf aan de Universiteit van Amsterdam. En hij had weer meer tijd voor zijn vrouw Antoinetty: „Zij is voor mij número uno”, zei hij tegen NRC.

Dolf II bleef altijd geworteld in het Larense. Heemskerk: „Hij zei altijd: Laren klinkt chic, maar we zijn gewoon schapenboeren.” Je moest nooit vergeten waar je vandaan kwam, was de boodschap. Lachend: „En dan ondertussen de grootse en ingewikkeldste transacties doen op de kapitaalmarkten.”

Vaste prik bleef ook de Sint-Jansprocessie, de jaarlijkse tocht ter ere van Sint Jan de Doper. En voor de renovatie van de katholieke kerk in het dorp, de Sint Jan, zamelde Dolf II onvermoeibaar geld in.

Ook het Singer kon opnieuw rekenen op een Van den Brink als fondsenwerver. Museumdirecteur Evert van Os noemt Dolf II een „hele betrokken en bevlogen man. Hij was op een missie. Singer moest vernieuwd.” Het museum haalde vanaf 2012 11,5 miljoen euro binnen via particuliere giften. „Dat is ongekend. Veel donateurs zeiden: Dolf kon je het gewoon niet weigeren.”

Dolf I was volgens hem een heel ander persoon. „Meer regentesk. Zijn wil was wet. Maar hij was wel iemand die zich met ziel en zaligheid inzette. Dolf II trok meer gezamenlijk met het bestuur op. Hij vond het belangrijk dat er in het Gooi een breed en toegankelijk cultuuraanbod was. Singer moest geen rijkeluissociëteit zijn.”

Lees hier de necrologie van Dolf II uit 2014: Traditionele bankier die niet van hebzucht hield

Dolf II overleed in 2014 op 66-jarige leeftijd aan een hersentumor. De weken voor zijn dood bracht hij door in zijn rietgedekte villa ‘Padakkers’ – vernoemd naar de weggetjes die vroeger langs de velden liepen – uitkijkend over diezelfde ‘padakkers’. „Het laatste uitzicht van deze erfgooier”, vertelde Antoinetty in 2018 in een interview aan De Gooi- en Eemlander. „Hoe verdrietig ook, dat is wel mooi.”

Dolf III Een directeur van deze tijd

Dolf van den Brink III in 2013 bij het Hip-Hop Inaugural Ball in Washington, met onder anderen muzikant John Legend (r).

Foto Johnny Nunez/WireImage

Als er na het overlijden van Dolf II een locatie moet komen voor de condoleance, hoeft de familie niet lang na te denken. Dat moet Singer Laren worden. Op de bijeenkomst stapt zoon Dolf af op museumdirecteur Evert van Os. Hij werkt dan al zestien jaar bij Heineken. Het bier dat in Singer geschonken wordt, komt van een concurrent. „Evert, als dit achter de rug is, moeten we het er nog maar eens over hebben, want dit kan natuurlijk niet”, zegt Dolf III. Met een knipoog, natuurlijk, maar toch staat niet veel later Heineken-merk Brand op de tap in het museumcafé.

Rudolf Gijsbert Servaas van den Brink studeerde filosofie en bedrijfskunde in Groningen. En koos daarna, als eerste van zijn familie, voor een baan in het bier. „Die onafhankelijkheid kenmerkt ons Van den Brinken”, zegt zijn oom Onno, zelf oud-topman van Transavia. „Heineken is geen bedrijf dat bij ons bekend is.”

Lees ook een eerder profiel van Dolf III: Een strip voorspelde al in 2003: Dolf wordt Heineken-topman

Er werken geen familieleden „die hun schaduw over zijn werk werpen”.

Dolf van den Brink start in 1999 bij Vrumona, het frisdrankenbedrijf van Heineken, en valt er meteen op. Bij zijn afscheid vier jaar later krijgt hij een stripverhaal mee waarin zijn loopbaan wordt geschetst. Met op de laatste pagina een vooruitblik: „En nu op naar de raad van bestuur!”

Als jonge dertiger wordt hij door Heineken naar Congo in Afrika gestuurd. Het gebied wordt gezien als kweekschool voor toekomstige bestuurders. Maar zijn jongensachtige gezicht ondermijnt zijn gezag, vreest Van den Brink. Hij laat zich een bril en maatpak aanmeten.

Al na een maand neemt hij er afstand van. Het past hem niet. Liever leert hij de taal van de Congolezen begrijpen. Hij wil niet boven ze staan, maar onderdeel zijn van de organisatie.

Het is te zien in de documentaire Een Hollands Biertje in Afrika. Van den Brink loopt op het hoofdkantoor in hoofdstad Kinshasa een ruimte binnen. De aanwezige salesmanagers staan meteen op. Er wordt gezongen, geklapt. Van den Brink spreekt ze toe, in het Frans, tellend op zijn vingers: „We hebben de afgelopen twaalf maanden een winstgroei laten zien van niet 1 procent, niet 2, niet 3…” De verkopers tellen nu ook mee „… niet 13, niet 14, maar 15 procent!”

„Mijn broer heeft hem altijd op het hart gedrukt: verloochen jezelf niet. Ga niet naast je schoenen lopen en doe wat past bij onze normen en waarden”, zegt zijn oom Onno van den Brink. „Dat komt heel erg van onze vader: zo doen we dingen wel en zo doen we ze niet. Mijn vader had geen chauffeur bijvoorbeeld. Dat is ook wat ik bij Dolfje zie.”

Als tijdens het scrabbelen discussie ontstond over een woord, dan stopte Dolf III ermee. ‘Zo van: als ik dit spel niet kan winnen, dan doe ik niet meer mee’

Maar competitief is hij wel. Als klein jongetje scrabbelde de familie met het woordenboek op schoot, zegt oom Onno. „Ontstond er discussie over een woord, dan stopte hij ermee. Zo van: als ik dit spel niet kan winnen, dan doe ik niet meer mee.”

Lees ook dit interview met Dolf van den Brink uit 2012 over de Amerikaanse biermarkt: Met simpelweg bier verschepen red je het niet

Het competitieve in hem helpt Van den Brink als hij naar de VS wordt gestuurd, waar concurrenten 80 procent van de markt in handen hebben. Heineken is gedegradeerd tot een supermarktbiertje. Van den Brink weet de merken weer in de kroegen op de tap te krijgen.

De down to earth-houding die hem is ingeprent door zijn vader en opa neemt Dolf III mee naar de VS. „We hebben te vaak gedaan alsof we een hele meneer zijn op de Amerikaanse markt”, zegt Van den Brink in 2012 tegen NRC. „Maar van die trotse, wat arrogante houding van ‘wij weten wel hoe het in elkaar steekt’ moeten we af.”

Hij laat bij het bedrijf wanden tussen kantoren afbreken en er komt een glazen muur van zeven meter die zijn eigen kantoor transparant moet maken. „Het duurde twee weken voordat mensen daar langs durfden te lopen”, vertelde hij aan The New York Times.

Dolf III is iemand die zich als directeur „dienstbaar” opstelt, zegt zijn oom Onno. „Hij is in die zin geen traditionele bestuursvoorzitter, maar iemand van deze tijd. Het draait niet om de leider. Doe maar gewoon.”

Na een wereldreis van vijftien jaar langs alle voor Heineken belangrijke regio’s heeft Van den Brink begin 2020 genoeg ervaring verzameld als bestuurder. Als topman Van Boxmeer aangeeft terug te willen treden, staat zijn opvolger al klaar.

Daarmee komt de derde generatie Van den Brink in de top van een groot bedrijf terecht. Het toont volgens museumdirecteur Van Os vooral dat „gedreven bestuurders altijd komen bovendrijven”. „En ze zijn alle drie zonder bemoeienis van de vader op een andere plek terechtgekomen.”

Voor het eerst sinds zijn vertrek naar Congo, in 2005, woont Dolf van den Brink weer in Nederland. Samen met zijn vrouw en twee dochters.

In Laren, natuurlijk.