Opinie

Weersta de verleiding van het veroordelen

Floor Rusman

Hoe rustig het deze morgen ook is in de supermarkt, bij de groenten hangt een gespannen sfeertje. Ik wil tussen de uien en de paksoi door naar de koeling lopen, maar het tegemoetkomend verkeer, een vrouw die haar bonen wil wegen, weigert opzij te gaan. Door waarschuwend, zelfs een tikje dreigend te kijken, maakt ze me duidelijk dat zij momenteel heer en meester is over het gangpad.

Wat ben ik toch een relaxed mens, denk ik tevreden als ik weer buiten sta. Ik zou nooit zo spastisch doen over passeren binnen anderhalve meter.

Later op de dag loop ik over een drukke straat waar niemand voor elkaar opzij gaat. Groepen vrienden paraderen in boybandformatie over de stoepen, niemand lijkt zich bewust van de afstandsregels. Dit keer voel ik me helemaal niet relaxed. Nee, zij zijn relaxed, veel té! Wat ben ik toch attent en verantwoordelijk, denk ik terwijl ik overdreven royaal om de mensen heen slalom.

Deed iedereen maar zoals ik, is de hele dag mijn onderliggende gedachte. En op ten minste één manier doen de meeste mensen inderdaad zoals ik: ook zij vinden dat ze het beter doen dan de anderen.

„Wanneer elke medemens een potentiële bron van besmetting is, wordt iedereen misantroop”, schreef Ilja Pfeijffer woensdag in zijn column. Je kunt ook zeggen: veel mensen waren al misantroop, maar nu de ander officieel een gevaar is, mogen ze hun misantropie zonder schaamte tentoonspreiden. Andermans idiotie is nu immers niet meer alleen irritant, maar ook levensbedreigend.

Dat men elkaar deze coronalente graag en vaak de maat neemt, bleek al bij de verontwaardiging over volle stranden en de rij bij Ikea. Maandag kwamen daar twee woede-uitbarstingen bij: eerst over de polonaise in een Brabants café, toen over de drukke demonstratie op de Dam.

Ook mijn eerste reactie op de Damfoto’s was: wie gaat er in godsnaam tijdens een pandemie in een mensenmenigte staan? En wie laat zoiets toe? Gekken!

Maar toen ik de reacties zag op tv en sociale media, voelde ik me onbehaaglijk. Ik zag daar allemaal versies van mezelf: mensen die uitstekend wisten wat het juiste gedrag was en zich als terriërs vastbeten in de fouten van de ander. Zo’n houding is verleidelijk, maar getuigt ook van weinig empathie en bovendien van weinig nieuwsgierigheid.

Want over zo’n demonstratie kun je ook vragen stellen: wisten de mensen die er kwamen dat het zo druk zou worden? Waarom was het protest voor hen zo belangrijk? Hoe gevaarlijk is het als een grote groep mensen in de buitenlucht weinig afstand houdt?

De mensen met het snelle oordeel vergeten dat het juiste gedrag niet altijd helder is. Misschien blijkt een volle kroeg uiteindelijk gevaarlijker dan een volle Dam. En misschien blijkt de polonaise veiliger dan op afstand zwoegen in de sportschool. Beter een nies in je nek dan een ruimte vol hijgende sporters, kan ik me voorstellen.

Maar het vervelendst aan de mensen met het snelle oordeel is dat ze niet kunnen relativeren. Oké, de Dam heeft te vol gestaan. Dat heeft misschien nieuwe besmettingen opgeleverd, en het was moeilijk uit te leggen aan iedereen die zijn best doet zich aan de regels te houden. Maar zo is het leven soms. Er gebeuren dingen die dom of oneerlijk zijn, dan hebben we het erover, en zorgen we dat het de volgende keer anders loopt.

Floor Rusman is redacteur van NRC

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.