‘Moderne slavernij’ in Nederland – hoe kan dat?

Arbeidstoezicht In Nederland werken arbeidsimmigranten onder slechte omstandigheden, maar de Inspectie SZW is „een ingedutte boel”.

Politie controleert busje bij verlaten Vion-terrein. In de slachterij, in Apeldoorn, zijn de coronarichtlijnen geschonden.
Politie controleert busje bij verlaten Vion-terrein. In de slachterij, in Apeldoorn, zijn de coronarichtlijnen geschonden. Foto Vincent Jannink/ANP

De Roemeense vrachtwagenchauffeurs van een transportbedrijf in Noord-Brabant ontvingen de avond tevoren allemaal een berichtje. Strekking: morgen niet komen, want dan komt de Inspectie langs. Die dag, in januari vorig jaar, kwam de Inspectie inderdaad. Misstanden werden niet aangetroffen, omdat de onderbetaalde chauffeurs 50 kilometer verderop op een parkeerplaats stonden.

Edwin Atema van vakbond FNV vertelt het verhaal, omdat hij destijds contact had met de chauffeurs. Het gebeurt vaker, zegt hij: als de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) komt controleren, is het bedrijf daar regelmatig van op de hoogte. Gevolg? „We zien dat in de praktijk nauwelijks iets gebeurt met meldingen van arbeidsuitbuiting of andere illegale praktijken.”

De afgelopen weken zijn verschillende Nederlandse vleesbedrijven in opspraak geraakt. Honderden arbeidsmigranten uit Polen en Roemenië zijn met corona besmet. De kritiek richtte zich op hun omstandigheden: hoe ze in te volle busjes naar hun werk worden gereden, of met meer mensen op één kamer verblijven. Overuren worden onvoldoende of helemaal niet uitbetaald. Veel arbeidsmigranten zijn bovendien bang, bleek vorige week uit onderzoek van NRC: wie zijn mond opentrekt, raakt zijn baan kwijt.

‘Moderne slavernij’

De discussie over arbeidsmigranten is niet nieuw. Al jaren worden de werkomstandigheden van honderdduizenden Poolse, Roemeense en Bulgaarse werknemers in Nederland ter discussie gesteld. Hulpverleners spreken inmiddels van „moderne slavernij”. Hoe kan dat in dit welvarende land? En wie controleert op deze misstanden?

De Inspectie SZW is in 2012 gevormd, als samenvoeging van de Arbeidsinspectie en twee andere diensten. De dienst heeft twee hoofdtaken: handhavers bezoeken bedrijven en controleren de arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, zoals betaling van ten minste het minimumloon, werktijden en veiligheid. En de opsporingstak zoekt naar strafrechtelijke misstanden zoals arbeidsfraude en uitbuiting.

Op de Inspectie is de afgelopen jaren flink bezuinigd. In tien jaar tijd kreeg ze tientallen miljoenen euro’s minder te besteden en dat is te zien: hetzelfde werk moet met een paar honderd man minder worden geklaard. Ook het aantal inspecties toont een steile lijn naar beneden. Voerde de Inspectie in 2014 ruim 21.000 controles uit, vier jaar later ging het om minder dan de helft: dik tienduizend. Volgens een woordvoerder van de Inspectie komt dat niet alleen door de bezuinigingen. De Inspectie is de afgelopen jaren veel tijd kwijt aan het aantal arbeidsongevallen dat flink is toegenomen, waardoor andere „intensieve inspecties” niet kunnen plaatsvinden.

Maar dat zijn niet de enige problemen, zeggen directbetrokkenen. De dienst werkt volgens hen „versnipperd”. In een wereldje dat snel en vaak verandert, opereert ze juist rigide. Per jaar wordt bepaald welke branche wordt uitgeplozen. Alles staat keurig op papier. Er zijn talrijke programma’s die het zicht op de verschillende branches moeten verbeteren. Maar als datzelfde jaar signalen binnenkomen van misstanden in een andere sector, vertellen de betrokkenen, vindt de Inspectie het lastig om te schakelen.

Koninkrijkjes

Edwin Atema van vakbond FNV herkent dat beeld. De Inspectie, zegt hij, bestaat uit afdelingen, die als eigen „koninkrijkjes” opereren. „Er lopen binnen de Inspectie verschillende programma’s met programmamanagers. Maar uiteindelijk loopt er bijna niemand meer rond die een klacht van een werknemer kan wegen die bijvoorbeeld wordt uitgebuit.” De voorlichter: „Als een vakbond een signaal over uitbuiting doorgeeft, wordt dat uiterst serieus genomen en goed onderzocht, maar soms zijn er niet genoeg aanknopingspunten voor verder onderzoek.”

De Inspectie komt zelden op bezoek

Bart Plaatje FNV-bestuurder

Neem de opsporingsdienst. De opsporingsteams van de Inspectie huizen in Den Haag, Arnhem, Eindhoven en Amsterdam. Die werken aan eigen strafrechtelijk onderzoek, dat elkaar regelmatig overlapt. Maar een inspecteur uit Eindhoven zal niet snel naar Amsterdam bellen, zegt een betrokkene. Gevolg: werk wordt dubbel gedaan, signalen worden niet opgepakt.

Atema deed in 2017 en 2019 aangifte tegen een transportbedrijf, waarop medewerkers van het bedrijf dreigden „zijn strot af te snijden”. De vakbondsman leverde de informatie – bandopnames, „heel gedetailleerde” verklaringen – netjes in bij de Inspectie. Na een half jaar was nog geen actie ondernomen, zegt hij. „Soms liggen de bewijzen panklaar, maar gebeurt er niks mee. In onze ogen wordt er alleen gedacht in problemen, in plaats van in oplossingen.” „De Inspectie komt zelden op bezoek”, zegt FNV-bestuurder Bart Plaatje, „Ze zijn onderbemand.”

Begin mei belde Plaatje de Inspectie over een arbeidsmigrantenpark in Oosterhout. Hij was een groep arbeidsmigranten tegengekomen die geen zorgpasje hadden. „De reactie van de inspecteur was dat hij er later dat jaar mee aan de slag kon gaan. Mijn reactie: dan wonen die mensen er niet meer.”

Betrokkenen die regelmatig met de Inspectie samenwerken, herkennen dit. Soms wordt laks omgesprongen met signalen van misstanden. „Het is een ingedutte boel”, zegt eentje. „Niet vooruit te branden”, zegt een ander.

Een kentering is aanstaande

Toch is dat niet hele verhaal. De opsporingsdienst kan niet zomaar bedrijven bezoeken. Er moeten concrete aanwijzingen zijn dat iets niet in de haak is. Misstanden constateren is bovendien lastig door het versplinterde toezicht. De gemeente controleert de huisvesting van arbeidsmigranten, de Inspectie SZW de werkomstandigheden, de politie het vervoer naar het werk.

Goede samenwerking is cruciaal, zegt Ina Hut, directeur van het landelijke Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (CoMensha). „Arbeidsuitbuiting in de vorm van mensenhandel is in Nederland lastig juridisch aan te tonen. De straffen zijn laag en eventuele boetes worden ingecalculeerd in het businessmodel.”

Jaarlijks komen „zo’n 23 zaken van arbeidsuitbuiting voor de rechter”, volgens de Nationaal Rapporteur Mensenhandel Herman Bolhaar. De aanpak van uitbuiting op het werk blijft achter, vindt hij, ten opzichte van seksuele uitbuiting.

De Inspectie krijgt de komende jaren extra geld, het merendeel gaat naar handhaving. 25 miljoen was dat in 2019, 31 miljoen in 2020, 38 miljoen in 2021 en 50 miljoen in 2022 – op een totaal budget van 144 miljoen dat jaar.

Een kentering is aanstaande, zeggen betrokkenen, maar het gaat langzaam. Er zijn minder programma’s. Die zijn bovendien „robuuster”, aldus het jaarverslag. Inspecteurs verlaten vaker hun bureau. En er zijn 172 extra mensen aangetrokken op een totaal van bijna 1.400 in 2019. „Het personeelsbestand zal in 2022 uiteindelijk uitkomen op structureel ruim 1.550 fte”, volgens de woordvoerder. Een deel van de extra krachten heeft de opleiding bijna afgerond. En het aantal inspecties steeg afgelopen jaar tot bijna 12.000.

Het is een goed begin, zegt Ina Hut van CoMensha. Hechtere samenwerking tussen politie, gemeenten en de Inspectie SZW leidt mogelijk tot nog betere resultaten, zegt zij. „We zien dat de Inspectie nu bezig is vol in te zetten op arbeidsuitbuiting. Daar wil ik dan ook wel vertrouwen in hebben. De Inspectie moet nog even de tijd krijgen om weer op volle sterkte te komen.”