Recensie

Recensie

De Alpine A110S: symbool voor wat autorijden romantisch maakt

Autotest De Alpine A110S heeft een fatale aanstekelijkheid, vindt . Moge hij de barre tijden overleven.
De Alpine A110S.
De Alpine A110S. Foto Merlijn Doomernik

Op het schutbord bij het voeteneinde van de bijrijder is een geperforeerde lichtmetalen plaat geschroefd, waarop al krasjes zichtbaar zijn. Ik verdenk Alpine ervan ze zelf te hebben aangebracht. De naar zijn grote kleine voorganger vernoemde A110 blijft een retro-autootje, dat zijn noodlottige moderniteit moet camoufleren met gracieus verweerde evocaties van een groots verleden.

Dat wordt niks. De nostalgische intenties vergroten de zichtbare afstand tussen toen en nu. De retrodromen stranden op de onontkoombare concessies aan de eigentijdse levenssfeer. Digitale klokken en een multimediascherm disharmoniëren komisch met het neoprimitieve plastic dashboard. Voor de mooi zou je het scherm verwijderen en alle infotainmentfuncties onderbrengen in de grote, ronde meterunits van de klassieke 110. Tegelijkertijd weet je dat zo’n opruimactie hem zou beroven van de sloddervosserige Franse slag die hem maakt tot wat hij is, het ongeregelde alternatief voor de Germaanse orde.

Hij heeft twee sterke troeven. Hij is sneller en goedkoper dan de 110’s uit de tijd dat Alpine nog een echt, aanvankelijk zelfstandig merk was en geen kunstmatig uit de as herrezen retrolabel van Renault. Terwijl je voor de tot 1977 gebouwde oer-110 tot dik boven de ton neertelt, is de moderne er voor 65.000 euro. De nieuwe S, met veertig pk meer, zit er met net geen 80 mille niet eens schandalig boven. Daarvoor heb je bovendien een veel betere auto met prestaties op het peil van een Porsche Cayman.

Veertig pk erbij is veel. Was de gewone, speels recreatieve 110 niet snel genoeg? Anderzijds kon hij een beetje peper wel gebruiken – hij verkoopt voor geen meter. En de man – ik ken het genre van nabij – wil een Duits roofdier dat hem ongenadig bij de ballen grijpt, niet dat onschuldige. Der Tod ist ein Meister aus Deutschland, dichtte Paul Celan met het gelijk dat fatalisten altijd hadden, tot vandaag. Ook Alpine-habitués kunnen nu tegen een relatief bescheiden toeslag voor het eerst met hun leven spelen.

In de puppypower van de omgangsvriendelijke doerak is een agressieve strijdbaarheid gekropen. De S is lager, harder en gemener, zijn aanstekelijkheid nog fataler. Het voornemen niet in de voetsporen te treden van een met het speelgoedje gecrashte vakbroeder wordt een martelgang. Tegen de demonische lichtvoetigheid van dit 1.114 kilo wegende autootje is geen kruid gewassen. Pas bij het uitstappen merk je wat de spanning van het tempo en de klappen van het onderstel lijf en leden hebben aangedaan. Het verlaten van een 1 meter 24 hoge auto confronteert je met alle tekenen van het verouderingsproces; verslapte spieren, de beginnende motorische onmacht. Het is dat het dorp die taferelen al te vaak heeft meegekregen om er aanstoot aan te nemen, anders nam het openbare leedvermaak geen einde meer.

Morbide kleefkracht

Dan maar binnenblijven, omsloten door verrassend comfortabele kuipstoeltjes die zich op hun aluminium frame behalve in lengterichting uitsluitend met een inbussleutel laten verstellen. Goddank zit ik perfect en daar is wederom een moordbocht die je alle kleine ongemakken doet vergeten, weer die paradoxale ervaring van morbide kleefkracht en gewichtloosheid. Wat een machine.

En hij is bij Renault niet eens de top van de voedselketen. Dat is de geweldige, met 76.000 euro achterlijk dure, handgeschakelde Mégane R.S. Trophy-R. Voor de ongestoorde hellegang van zijn 300 pk sloopte Renault alle ballast, zelfs de achterbank. Waarschuw je kinderen even, want de achterdeuren zitten er nog in. Enfin, met die krijger reed ik ter vergelijking ook een rondje. De rode indianenstrepen op de flanken en de koelsleuven van kop tot kont zijn bij de beesten af, maar een kinderhand is gauw gevuld. In de motorkap hapt een uit carbon gesneden luchthapper naar adem. De velgen steken bloedrood bij zijn witte huid af. Hij is de vleselijke kern waar je een leven lang tegen gevochten hebt. Ik trap de ziel uit mijn lijf en voel geen schaamte.

Dan toch liever de 110, die zijn decorum houdt. Bij al zijn streken is hij sympathieker dan een Porsche. Zijn rammeltjes en kraakjes, zijn talmend terugschakelende automaat die je met flippers aan het stuurtje op zijn luie flikker geeft – ze zijn humaan en hartstochtelijk. Ook met de letter S blijft de 110 het even woeste als delicate symbool van wat autorijden zo romantisch maakt. Moge hij deze barre tijden overleven, en de stuurman hém.