De F van fietswinkel, fluitketel, föhn, frietfontein en fototoestel. Charlotte Dematons.

Illustratie Charlotte Dematons

Interview

De Haarlemse Charlotte Dematons verkocht honderdduizenden kinderboeken. Hoe gaat zij te werk?

Charlotte Dematons Illustrator Charlotte Dematons verkocht honderdduizenden exemplaren van haar boeken Nederland en Sinterklaas. Voor haar nieuwe tekstloze prentenboek Alfabet verbeeldde ze honderden woorden. En alles moest kloppen. „Kinderen hebben recht op onze onvoorwaardelijke rechtlijnigheid.”

Charlotte Dematons denkt in beelden. Altijd al gedaan. Daarom was het ook een nachtmerrie om als meisje op het lycée gedichten uit haar hoofd te moeten declameren – een vast onderdeel van het Franse curriculum. Maar hoe moest ze al die woorden onthouden? Een vriendin hielp: als Charlotte haperde, beeldde zij met subtiele handgebaren een woord uit, waarop Charlotte de vorm voor zich zag en het vers weer op kon pakken.

Dat beelddenken kwam bij haar nieuwste tekstloze prentenboek Alfabet bij uitstek van pas. „Ik had een kinderboek over letters gekocht en ging het lezen met de blik van een driejarige. Ik zag een varken, groot in beeld. Ik dacht: dat gaat over de V, van varken, kan niet missen. Maar ik las de tekst en het bleek over zijn eten te gaan – het varkentje was aan het eten. Ik dacht: hoe moet je dat snappen, als je nog niet kunt lezen? Het was geen rotboek hoor, maar het zette me wel aan het denken, hoe ik dat dan zou maken, een alfabetboek. Bij de B zou ik dan beginnen met bergen. Blauwe bergen. En dan een banaan met een badmuts op in een bad dat balanceert op zo’n blauwe berg.”

Want als Charlotte Dematons (1957) tekent, gaat het van en-en, niet van of-of. Ze is een maximalist, bekend van haar grote prentenboeken met grote, ver uitgezoomde platen met overvloedige details, van het gedruis op de stoomboot van Sinterklaas tot de wemelende landschappen in Nederland – die twee boeken werden allebei ruim 200.000 keer verkocht. De gele ballon verscheen in veertien landen. Van Alfabet is de eerste oplage ook weer vele duizenden exemplaren groot. De aanpak van Dematons maakt nu eenmaal dat Alfabet alle andere alfabetboeken zo’n beetje overbodig maakt.

„Want toen bleef ik denken” – we zijn in haar atelier op een Haarlemse zolderverdieping, bovenaan een trap met een zelfgeschilderde loper, nog steeds bij de B – „en dacht ik aan een bankstel, en een bloem. Maar dan stuit je meteen op een probleem: geen enkele echte bloem is gewoon een ‘bloem’. Een bloem is een roos, een paardenbloem, want ik ga natuurlijk geen lullige bloem tekenen. Tenzij, há, het een motiefje op een bankstel is: dat zijn gewóón bloemetjes. En ik dacht: ik leg op die bank iemand in bikini… Maar dan zie je een mens, met een M, of een vrouw, de V! Dus: kon niet. Een broccoli in bikini, dan ben je van het probleem af! Daarnaast een broccoli in een badpak, op een badlaken, en samen hebben ze een buldog die boter-kaas-en-eieren speelt met Babar. Voilà.”

Bent u beledigd als ik het lichtelijk krankzinnig noem?

Ze schatert. „Het ís krankzinnig! Ziekelijk. Maar het kán wel. Ik dacht toen ik aan dit boek begon wel weer: wáárom word ik zo enthousiast over projecten die zó uitputtend zijn? Bij Nederland mopperde mijn uitgever ook wel eens: Charlotte, waarom maak je al die platen zo vól? Toen kon ik nog zeggen: Nederland ís zo vol. Mja, maar ik kon toch ook de helft eruit laten? Ja, zei ik, maar dan héb je ook maar de helft. En al die pretparken, zei hij, kon ik die er niet uit laten? Nee, zeg! Prétparken, daar beginnen de verhalen van kinderen! Ze worden dol van enthousiasme, dan gaan ze praten met elkaar! En daar gaat het om. Ik wist: dat zou hierbij ook zo zijn. Ik moest proberen de bodem te halen.”

Dus: niets overslaan, niets laten liggen?

„Stel dat ik allemaal woorden niet had getekend! Dat kan niet hoor. Dan zou ik boze brieven krijgen: u heeft dát niet getekend, dat niet, dat niet.”

De voorwaarden waaraan een woord moest voldoen om getekend te worden, waren niet heel talrijk. Eén: het moest te tekenen zijn. Twee: het moest te herkennen zijn, „zónder uitleg”. Toch is Alfabet niet zo overvol als Nederland, domweg dankzij het woordenboek. Wat valt er te tekenen met een X, Y of Q? Een xylofoon met x-benen, yahtzeeënde yeti’s op een yogamatje, een quagga (!) met een quilt – daarmee houdt het wel op. Met opschrijfboekjes bij de hand ploegde Dematons drie jaar geleden het woordenboek door. „Bij de B vond ik wel 260 tekenbare woorden, bij de F zijn het er maar 100, daar was bijna niks te halen, heerlijk.”

Dan heb je een lijst, en dan?

„Dan moet er een verhaal komen. Ik las de lijst telkens door, hopend op een samenhangend beeld. Een apenrots, bij de A, wist ik meteen – dat vinden kinderen leuk. Maar bij de T lukte het niet, daar kwam niets. Daar heb ik de getekende woorden maar gewoon naast elkaar gezet.”

Bij de S zat ik wel een poosje te piekeren over die oranje zee. Een sinaasappelsapzee?

„Ja! Daar heb ik lang mee gezeten. Als hoofdonderwerp had ik de stoomboot bedacht, natúúrlijk, en dan in dwarsdoorsnede, zodat ik het enorme aantal S-woorden als speelgoed in het ruim kon zetten. En Sinterklaas, in smoking – het is een gelukje dat zijn ‘staf’ met een S is, want de mijter en de tabberd konden niet, en helemaal zonder attributen had je hem niet herkend, dan was het feest niet doorgegaan. Maar met die zee heb ik flink zitten klooien. Ik dacht: misschien moet ik de horizon helemaal naar beneden halen, zodat je het water niet ziet, maar toen kreeg ik de schepen er fysiek niet meer in. Ik baalde, tot een vriendin zei: sinaasappelsap! Aanvankelijk heb ik nog overwogen om álles absoluut te maken, dat nergens een speld tussen te krijgen zou zijn, maar dan kom je al in de knoop met een banaan, die je dan eigenlijk niet geel kunt maken.”

Waarom wilde u het zo graag absoluut hebben?

„Dat is mijn plicht! Kinderen hebben recht op onze onvoorwaardelijke rechtlijnigheid. Kinderen denken rechtdoor, hè. Als ik als kind een boek las en er klopte iets niet aan de tekeningen, ging het boek dicht en weg. Later op de Rietveld Academie ontdekte ik dat meer mensen dat hadden, mijn soortgenoten: bij een fout wordt het beeld verstoord.”

Is dat niet érg rigide?

„Dat vind jij misschien als man van de woorden. Met woorden kun je alle kanten op. Wat ik vals vind aan woorden is dat je alles kunt afdekken – jij zegt ‘vogel’ en klaar. Maar welke vogel zie ik dan? In beelden kun je niet liegen – een beeld komt één keer bij je binnen, en dat onthoud je. En een historicus schotelt je toch ook geen valse feiten voor?”

Die details maken wel dat kinderen niet alles zullen herkennen, lijkt me. Al die planten, die paarse bloemetjes bij de C…

„De clematis! Nee, die is niet voor een kleuter. Behalve als de vader van dat kind kweker is, dan heeft-ie een gloriemoment. Dat gun ik ze.”

U stopte er bewust meerdere lagen in?

„Zoveel mogelijk! Er zitten ook allemaal kunstwerken in, bij de P hangt aan een plakbandje een plaatje van ‘Het puttertje’ van Fabritius. Dat hoeft geen kind te herkennen, en dat zullen ze ook niet doen. Kinderen zien tóch alleen waar ze aan toe zijn, de rest laten ze links liggen. Maar ze slaan het wel op, ergens in een donker hoekje van hun brein. Mijn moeder had thuis ansichtkaarten van schilderijen aan de zoldertrap gehangen, bijvoorbeeld van een heuvel met rode klaprozen en een vrouwtje en kind en in de verte een huisje. Op een dag liepen we door een museum en ja hoor, ineens hing-ie daar! Monet! Sinds dat moment weet ik: je slaat veel meer op dan je weet. Daarom zeg ik er ook iets van als ik op scholen plaatjes van Disney aan de muur zie hangen. Terwijl die plaatjes ook al op truien en yoghurtbakjes staan.”

Lees ook: Dit is de beste prentenboekenmaker van Nederland

Die kennen ze al. En dan denkt u…

„Als leerkracht ben je iemand die méér geeft, taal, kennis – geef ze dat dan ook! Ik ken een verhaal van een Franse docent die een uur per week voorlas, zónder iets van zijn leerlingen te verwachten, niks geen overhoring. Hij vertelde: op de helft van het boek waren er een paar die het als slaapuurtje beschouwden, oké, best, en een paar die kwamen vragen of het erg was als ze het boek inmiddels thuis uitgelezen hadden. Wanneer werd literatuur leuk? Toen ze ophielden overhoringen te houden.”

Die wijze les lijkt me iets te zeggen over hoe u prentenboeken maakt: u heeft iets van een onderwijzer, met details die moeten kloppen, maar leren móét niet, het moet mooi zijn, leuk om naar te kijken.

„Zo is het precies. Dat kinderen iets doen wat ze leuk vinden, en niet in de gaten hebben dat ze ook wat aan het leren zijn. Je wordt geprikkeld, stelt een vraag, en je bent alweer iets aan het leren.”

Lees ook: De recensie van Nederland, uit 2012.