Recensie

Recensie Boeken

Mooie jonge vrouw wil vast wel een ‘centje bijverdienen’ door even ‘vriendelijk te zijn’

Ann Petry In De straat probeert een zwarte vrouw haar doolhof van bedreigende omstandigheden te overleven. Ann Petry schreef dit boek in 1946, maar het is een goed idee om het nu te lezen.

De zwarte New Yorkse wijk Harlem in 1942.
De zwarte New Yorkse wijk Harlem in 1942. Foto National Archive/Newsmakers

Een zwarte man wordt neergestoken door een winkelier. Wat er precies is gebeurd, is onduidelijk, maar een dag later valt in de krant te lezen dat een overval door ‘„een potige neger” op een bakker was verijdeld omdat de eigenaar zich onverwacht had verweerd’. De scène is te lezen in de roman De straat van Ann Petry (1908-1997). Lutie Johnson, die had gezien dat het slachtoffer allerminst ‘potig’ was, leest een dag later in de krant over het voorval en concludeert ‘dat je kijk op dit soort zaken geheel afhing van je uitgangspositie. Bekeek je ze vanuit het kader van een royaal weekloon en geloofde je dat zwarte mensen van nature crimineel waren, dan zag je geen enkele zwarte ooit zoals hij werkelijk was’.

Wie zich dezer dagen afvraagt waar het geweld vandaan komt waarmee in Amerika gedemonstreerd wordt tegen politiemisdragingen, wordt op sociale media vaak doorverwezen naar het werk van James Baldwin. Citaten uit zijn werk moeten duiding, troost en historische context bieden. Het lezen van De straat, de debuutroman van Ann Petry uit 1946, opnieuw in het Nederlands vertaald, is misschien wel een even goed idee.

Petry vertelt het verhaal van Lutie Johnson, een talentvolle, betrokken en optimistische jonge zwarte vrouw die systematisch voor al die eigenschappen wordt gestraft. Ze betrekt een klein en donker appartement op 116th Street, New York, in Harlem dus. Ze woonde met man en kind in Jamaica, een wat rijkere wijk in Queens, en werkte als nanny in een wit huishouden in Connecticut. Ze had het daar niet slecht, ze kreeg genoeg betaald om haar kind te onderhouden, en ze kon goede gesprekken voeren met de vrouw des huizes. Tot echte toenadering komt het niet, want de verschillen die ras en geld veroorzaken, blijven voelbaar, en daarom houdt Lutie afstand.

Amerikaanse Droom

Ze beschouwt de witte familie die haar werkgever is (zoals gebruikelijk bij Atlas Contact nog steeds ‘blank’ genoemd, in een voor de rest goede vertaling) van een bijna antropologische afstand. Haarfijn schetst ze de vanzelfsprekendheid waarmee iedereen ervan uitgaat dat een aantrekkelijke zwarte vrouw in de buurt van een witte man een probleem gaat veroorzaken. Lutie houdt de hoop dat ze, door hard te werken en zuinig te zijn, vooruit zal komen. Dit is immers Amerika, en ze gelooft in de Amerikaanse Droom; ze is groot bewonderaar van Benjamin Frank-lin, de bedenker van dat begrip.

Het enige dat ze voor elkaar hoopt te krijgen is genoeg te verdienen om die benauwende zolderkamer te kunnen verlaten, en om niet de hele tijd meer tegen haar zoontje Bub te hoeven klagen over geld, en hem uit te schelden omdat hij alleen maar in slaap kan vallen met het licht aan. Haar leven is een vicieuze cirkel van onmogelijkheden, en een doolhof aan bedreigende omstandigheden.

Het het meesterlijke debuut van James Baldwin uit 1953 is eindelijk in het Nederlands vertaald. Lees ook: Het is moeilijk ‘volwassen’ te worden als je afstamt van mensen die gruwelijk zijn vernederd

Petry vertelt in een hoog tempo, en bouwt spanning op door dezelfde gebeurtenissen steeds vanuit een ander perspectief te beschrijven, een thrillertruc (‘kijk uit, achter je’, ben je geneigd te roepen), maar het gaat in dit boek niet om de spanning. Het gaat eigenlijk niet eens om Lutie; de echte hoofdpersoon is de straat uit de titel, die een universum op zichzelf is waaruit het onmogelijk is om te ontsnappen. Petry laat de straat ‘aan het woord’, zoals James Baldwin deed in If Beale Street Could Talk (1974). De fuik van racisme waarin Baldwins personages terechtkomen, kent een voorafschaduwing bij Petry; ontsnappingspogingen zijn vergeefs.

Mooie jonge vrouw

Fraai wordt het wanneer Lutie in De straat even in de kroeg zit en meezingt met de jukebox: ‘De hutjemutje staande mannen en vrouwen aan de bar zetten hun glas neer om naar haar te kijken. Haar stem had een triest randje dat het lied gewicht gaf, dat het een verhaal liet vertellen buiten de woorden om, een verhaal van wanhoop, van eenzaamheid, van teleurstelling. Een moment lang heerste er stilte rondom de toog, toen zetten de mensen het glas weer aan de mond.’

Voor een ogenblik lijkt een carrière als zangeres mogelijk: een man met geld en een grote auto spiegelt mogelijkheden voor. Weg uit de straat. Het lukt niet, domweg omdat Lutie geen zin heeft om aan de verwachting te voldoen (mooie jonge vrouw wil vast wel een ‘centje bijverdienen’ door even ‘vriendelijk te zijn’ tegen iemand met geld). Er zit niets anders op dan te blijven werken voor witte mensen, hun kinderen en het verwaarlozen van haar eigen zoon.

Voor het eerst in lange tijd zijn twee boeken van de legendarische James Baldwin in het Nederlands vertaald. Nog altijd is zijn werk hyperactueel. Lees ook: ‘Mensen hoeven niet per se slecht te zijn, het volstaat dat ze geen ruggengraat hebben’

De tegenstellingen in de wereld zijn zo groot, bedenkt Lutie, dat het ‘nog beter was als je zonder hersens geboren was en je je helemaal nergens van bewust was, zodat je nooit weet zou hebben van oorden met zonneschijn en goed eten in overvloed, oorden waar kinderen veilig waren.’ Dat bewustwordingsproces is de knappe, maar pijnlijke weg die Petry Lutie laat afleggen, met fatale gevolgen voor haar en haar zoon.

Wit eilandje

Het boek verscheen voor het eerst in 1946 en het was meteen een succes. Petry had als journalist gewerkt, maar was in 1944 creative writing gaan studeren aan Columbia University (die overigens aan 116th Straat ligt, als eilandje in Harlem). Haar verhaal staat in een traditie die door haar succesvolle collega Nella Larsen een kleine twintig jaar eerder al was ingezet. Larsens romans Drijfzand en Schutkleur waren een belangrijk momentum in de Harlem Renaissance om aandacht te vragen voor niet alleen de onoverbrugbare grens tussen huidskleuren, maar ook voor de positie van de vrouw daarin. Bij haar zijn vrouwen ook geplaatst in een witte omgeving. Omstandigheden bepalen hun positie in een Amerika waar een zwarte Amerikaan ‘niet hoefde te rekenen op geld, een opleiding en soms zelfs niet eens een baan om zijn brood mee te verdienen’, schrijft Larsen.

De straat wordt ingeleid door schrijfster Tayari Jones, die het bijna 75 jaar oude boek aan een eigentijds publiek presenteert, maar dat is niet nodig. Bovendien klinkt haar conclusie dat ‘hoop toch de drijvende kracht’ is in dit verhaal, op het ogenblik gedateerder dan het sterke en donkere boek dat ze aanprijst.