Opinie

Ons internationalisme is aan het verdampen

Maarten Schinkel

Ik kan niet al mijn geld uitgeven aan drank en vrouwen, en vervolgens om hulp aankloppen. Dat zei Jeroen Dijsselbloem, begin 2017 in de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Dijsselbloem was destijds voorzitter van de eurogroep van ministers van Financiën en zijn opmerking viel buitengewoon slecht in Zuid-Europa. Net als de cover van Elsevier Weekblad van vorige week, waarop hardwerkende (blonde) mensen boven luierende (beduidend minder blonde) mensen worden gezet.

Over de gehele breedte van het Nederlandse politieke spectrum is het internationalisme behoorlijk aan het verdampen. De Eerste Kamer hoopt nog voor de zomer te kunnen stemmen over het CETA-handelsverdrag tussen de Europese Unie en Canada. Dat werd, met de hakken over de sloot, al aangenomen door de Tweede Kamer, maar een meerderheid in de senaat is hoogst onzeker. En afgelopen dinsdag wees de Tweede Kamer, per motie, nog een handelsverdrag af tussen de EU en Mercosur, de douane-unie tussen vijf Latijns-Amerikaanse landen waaronder Brazilië en Argentinië.

Hier wreekt zich ook dat het huidige kabinet-Rutte moet opereren met wankele meerderheden – een paar zetels méér en beide voorvallen zouden zich niet hebben voorgedaan. Maar wat Europa betreft, zit de scepsis in het hart van de regering. Als lid van wat de ‘Gierige Vier’ wordt genoemd (Denemarken, Nederland, Oostenrijk en Zweden) verzet de Nederlandse regering zich tegen kapitaaloverdrachten in de Europese Unie. Het voorgestelde hulppakket van 750 miljard euro voor de coronacrisis kan volgens hen misbruikt worden om meteen ook een nieuwe fase van Europese integratie door te drukken: een groter budget voor de Europese Commissie, met automatische overdrachten naar landen die het tijdelijk of conjunctureel moeilijk hebben.

Dat laatste lijkt een beetje op het Amerikaanse model van stabilisering tussen deelstaten via de federale begroting. Niet voor niets valt de naam van Alexander Hamilton nu vaak (net als tijdens de eurocrisis van 2012, trouwens). Deze Amerikaanse politicus wist de jonge staten er eind achttiende eeuw van te overtuigen hun schulden op één hoop te gooien.

De beoogde ontvangers van het coronapakket, vaak in Zuid-Europa, betogen dat Nederland (en Duitsland) zelf enorm hebben verdiend, en nog steeds verdienen, aan de Europese integratie en de euro. En zo ontstaat een spel van rekenen en tegenrekenen. Er wordt becijferd hoeveel baat het noorden heeft gehad bij zijn ondergewaardeerde wisselkoers. Maar heeft iemand ooit uitgerekend hoeveel het zuiden al heeft verdiend aan de lage rentes die het al sinds de opmaat naar de muntunie in de jaren negentig betaalt? Belastingparadijs tegenover een überhaupt ontbrekende belastingmoraal. Cliché tegenover stereotype. Het is een gif dat langzaam in de Europese integratie sijpelt.

Dat het coronapakket een indirecte aanzet kan zijn tot budgettaire integratie, is denkbaar. Veel noordelijke landen zijn argwanend, en niet helemaal ten onrechte. Zij hebben bij de Europese Centrale Bank gezien dat hun minderheid acht jaar lang structureel is weggedrukt.

En toch is samenwerking de enige weg, ook als niet tot achter de komma kan worden bepaald wie er het meest van profiteert. Stel je een team van vier acrobaten voor die samen in het circus hun geld verdienen met een menselijke toren. De bovenste zal klagen dat hij het meeste risico loopt, en een groter deel van de opbrengst wensen. De onderste brengt daar tegenin het meeste gewicht te torsen. En de middelsten betreuren dat de bovenste en de onderste al alle aandacht krijgen, terwijl zij zwoegen in de anonimiteit. Daar kunnen ze eindeloos over bakkeleien. Maar één ding staat vast: zonder elkaar verdienen ze niets.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.