Bosjes

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 38: de palingtheorie
Dagboek van een visser

Onlangs struinde ik ’s avonds wat langs de Lek, toen ineens een visser uit de bosjes sprong. Alle vissers weten wat dit betekent: óf meneer was wezen pissen óf meneer verstopte een paling. Een visser uit de bosjes duidt altijd op iets vlezig langwerpigs.

In dit geval was het hoognodig pissen want meneer had alleen maar mais en maden bij zich. Wil je een paling laten watertanden heb je toch echt dikke wormen nodig. Het beste rijg je een kluitje wormen met naald en draad tot een kluwen, vervolgens dit papperige zaakje op en neer wiegen in de modder; peuren heet dat, of poer’n, zoals ze in Kampen aan het Ketelmeer zeggen. Voor luie vissers, meestal stadsjongens die wormenrijgen ouderwets gedoe vinden, is er schele pos, frikadel of plakken boterhamworst.

Vandaag dok je voor een kilootje ambachtelijk gerookte palingfilet algauw een halve meier of meer, dan snap je dat vissers de bosjes induiken. Je moet Hollanders hun paling niet afpakken. Een surveillerende boa met z’n 140 euro boete kan de boom in. Een geheime visregel: Hoe hoger de palingstraf, hoe dieper de bosje in.

Al sinds lang, nog vóór ‘Die Blechtrommel’, waarin palingen uit de oogkassen van een paardenkop slieren, kampt de paling met ’t imago van vieze lijkenpikker. Een historische vergissing. De paling is een lief en zeer zindelijk beestje. Slim bovendien. Zeg nou zelf, wie de prachtnaam ‘anguilla anguilla’ draagt kan geen lijkenpikker zijn.

Maar er is iets geks met de paling. Sinds vele jaren woeden felle discussies tussen twee kampen: 1. De palingstand is beroerd! 2. Er is volop paling!

Hoe kan dit? Ik heb maar één verklaring: beide kampen hebben gelijk. Hierbij mijn eigen palingtheorie: er kronkelt nog volop paling in de modder, maar ze zijn (bijna-)vegetariër. Ze doen zich daar te goed aan wieren, algen en luizen.

Ik zei al dat de paling een slim en beschaafd diertje is, anders zou ie er niet in slagen om tot op de dag van vandaag z’n seksleven strikt geheim te houden. Geen bioloog of ichtyoloog kan verklaren hoe dit beestje erin slaagt om 6.000 km verderop, in de Sargasso zee, ongezien van bil te gaan. Slimme dieren evolueren, gaan met de tijd mee en overleven, domme dieren sterven uit. Welnu, al die ooit gevangen en teruggezette miljoenen en miljoenen ondermaatse palingen, die groeiden op met een trauma; een trauma dat het directe gevolg was van het happen in wormen, schele pos, frikadel en worst. Slimme dieren vergeten niet, kijk naar olifanten. Dat trauma droegen de palingen instinctief genetisch over op hun nageslacht. De overlevering ging net zo lang door tot een palingsoort ontstond die steeds minder moest hebben van alles wat riekt naar vlees of vis. Voilà, dat is nog eens paling in ’t groen.