Opinie

Weg

Ellen Deckwitz

Dus gisteren zou ik mijn zus helpen om haar zolder uit te ruimen. Ik deed het onder één voorwaarde: dat ze minstens driekwart van de spullen weg zou doen. Eenmaal boven begonnen we met het verplaatsen van wat meubilair, waarbij er uit een laadje opeens een barnstenen hangertje viel.

„Jeetje”, zei ik, „die droeg je als tiener altijd!”

Ze knipoogde terwijl ze hem in haar borstzak stak. We stroopten onze mouwen op. Op de spullen die moesten blijven zou een post-it worden bevestigd en tot mijn verbazing drukte ze er eentje op een doormidden geknakte zwabber.

„Die moet bij het grofvuil”, zei ik, waarop ze zei dat het ding sentimentele waarde had omdat het het eerste huishoudelijke artikel was dat ze ooit voor zichzelf had gekocht. Om van het gezeur af te zijn, gaf ik haar maar gelijk, wat een domme zet was aangezien daarna op bijna alles een velletje werd geplakt: van een gedeukte lampenkap („Van die ex van mijn ex!”) en een ingestort krukje („Stond op mijn tweede studentenkamer!”), tot een stapeltje ontbindende gordijnen, en over alles ging ze in discussie. Na een uur hadden we nog geen derde van de zolder gehad en waren er slechts vier dingen die weg konden.

„Ja, dat gaat zo niet”, zei ik, „je zolder is geen museum.”

„Ik vind het moeilijk”, piepte ze.

Na wat gesputter stemde ze ermee in om alles dat ze lastig vond om weg te doen te fotograferen, zodat ze tenminste de foto’s nog had. Hierop vlotten de werkzaamheden aanzienlijk en tegen het einde van de middag waren er slechts veertig dingen die zouden blijven (wat voor iemand als mijn zus echt een prestatie was). Ik sloot de zolderkamer af en stak de sleutel bij me, zodat ze tot de kringloop kwam niet stiekem extra briefjes zou plakken.

„Het voelt alsof ik een deel van mijn verleden wegdoe”, zei ze sip. „Het zijn toch een soort Viavia’s, je weet wel, van die betoverde voorwerpen uit Harry Potter, die wanneer je ze aanraakt ervoor zorgen dat je pijlsnel kan reizen naar een andere plek.”

„Dus voor jou zijn al die spulletjes tijdmachines.”

„Ja”, zei ze zacht, „hun geur, hun textuur.” Ze speelde met het gevonden hangertje, ving er licht in dat in oranje vlekken op haar hand uiteenviel.

„Soms”, zei ze, „zou ik van de hele wereld één groot stuk barnsteen willen maken, alles in hars gieten.”

„Daar gaan we dus wel allemaal dood aan hè, feestneus”, zei ik.

„Maar dan blijft alles tenminste bewaard”, zei ze. „Ben je in één keer van al het afscheid af.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.