Lucie Horsch.

Foto Andreas Terlaak

Interview

Muziekprijs-winnaar Lucie Horsch (20): ‘Taal is een vorm van muziek, niet omgekeerd’

Lucie Horsch Blokfluitist Lucie Horsch krijgt de Nederlandse Muziekprijs, als allerjongste ooit. Ze wordt geprezen om haar veelzijdigheid, virtuositeit, grote ambitie en brede blik.

Ze had relatieve mazzel, zegt Lucie Horsch (20). Toen Nederland op slot ging, kon ze haar appartement in de Amsterdamse Rivierenbuurt verruilen voor het nabij gelegen ouderlijk huis. „Hier is het lekker vertrouwd. Alle afgezegde concerten die op me afkwamen; als ik steeds maar alleen had gezeten, was ik daar echt ongelukkig van geworden.”

Haar Bachelor-examen blokfluit had ze gelukkig al afgesloten in oktober, gewoon, met een optreden voor een ouderwets volle zaal. En haar examen piano volgt pas volgend jaar. Wie nu afzwaait aan het conservatorium, doet dat op afstand, met een portfolio aan filmpjes.

Maar Lucie Horsch houdt juist van het podium. Hoezeer ontdekte ze als negen-jarige, toen ze Brahms Hongaarse Dans speelde op het Prinsengrachtconcert. Het sleutelmoment is terug te vinden op Youtube, je ziet het gebeuren. Meisje speelt (geweldig) blokfluit, publiek begint enthousiast mee te klappen. En zij klapt niet dicht, maar begint te stralen. „Ik was een eigenwijs kind”, zegt ze. „Dat ik graag blokfluit wilde spelen, was omdat ik hoopte dat het echt iets van míj zou zijn – iets anders dan de cello’s van mijn ouders en de viool van mijn broer.”

Horsch’ succesverhaal is allang geen nieuws meer. Vier jaar geleden kreeg ze, recordjong, een platencontract bij het gerenommeerde platenlabel Decca. Haar sprankelende, aan Vivaldi gewijde debuut-cd (2016) won meteen een Edison. En nu krijgt ze ook nog de Nederlandse Muziekprijs, als jongste ooit.

Gek eigenlijk: je bent twintig, wint prijzen, geeft overal concerten én studeert nog. Wat kunnen ze jou nog leren?

„Het gaat erom wat je nog wílt leren. In mijn geval is dat heel veel. Het goede van de Nederlandse Muziekprijs is dat het een leertraject is; het dwingt je tot nadenken. Met studeren, mails beantwoorden en concerten geven, vliegen de jaren voorbij, nu moest ik uitzoomen. Waar wil ik zijn over vijf jaar?”

En?

„Eén doel is dat ik me beter wil informeren. Laatst speelde ik Napolitaanse blokfluitmuziek uit de barok. Normaal zou ik niet de tijd hebben genomen me daar echt in te verdiepen. Nu werd ik in contact gebracht met Inês d’Avena, die onderzoek heeft gedaan naar dat repertoire. De kennis die dat me bracht, verrijkte mijn spel, en dat vergrootte weer mijn zelfvertrouwen.

„Ik ben ook op werkbezoek gegaan bij Giovanni Antonini in Milaan. Hij is blokfluitist en leidt daarnaast zijn eigen ensemble, Il Giardino Armonico. Ik wilde ervaren hoe dat is, hoe de dynamiek werkt in zo’n kleine, gespecialiseerde groep. Het was geweldig. De één bracht een manuscript mee dat hij had ontdekt, iedereen was betrokken en geïnteresseerd.”

Grappig. Blokfluitlegende Frans Brüggen startte destijds ook zijn eigen orkest. En jij hebt die ambitie dus ook?

„Op termijn lijkt dat me heel leuk. Bedenken wat je als groep wil uitstralen, samen één geluid smeden. Daarom vond ik het ook interessant te ervaren hoe Antonini leiding gaf. Het deed me denken aan wat ik eerder heb gezien bij dirigerende musici als Emanuelle Haim en Barbara Hannigan. Hun leiding komt voort uit hun visie op de muziek, het is geen opgelegde autoriteit. Dat is wat ik ook zou ambiëren. Later, niet nu. Ik ben nog lang niet klaar met het musicus-zijn.”

Dat je ook piano speelt, bijna op hetzelfde niveau als je fluit, is weinig bekend. Wat betekent de piano voor je?

„Het begon als iets voor erbij, maar al na een jaar wist ik: dit is meer. Zo belandde ik ook voor piano op het conservatorium. Wat ik ermee wil, heb ik zelf nog niet helder. Voor excelleren in virtuoze pianoconcerten ben ik niet de persoon, dat spelniveau valt ook niet te combineren met de blokfluit. Maar ik vind het begeleiden van liedzangers erg leuk, en ik houd erg van kamermuziek. Als pianist vind ik zo ook toegang tot het repertoire dat ik op de blokfluit mis.

„Het grappige is dat veel blokfluitisten de beperking van het repertoire – je speelt voornamelijk barok en eigentijds – totaal niet als een gemis ervaren. Laatst beluisterde ik een Mozart-opera. De humoristische kracht van de tekst werd door de muziek zo geniaal aangescherpt dat ik er iets over zei tegen een studiegenoot. Maar die reageerde lauw. ‘Huh, luister jij Mozart? Not my thing.’ Hahahaha, párdón!? Dat was zo’n moment dat ik diep dankbaar was voor wat ik van huis uit heb meegekregen. Al heb ik als kind ook Wagner-opera’s uitgezeten waarvan ik me alleen nog herinner dat ik urenlang dacht: help, ik moet plassen.”

In het normale leven zou mijn obsessieve aandrang tot perfectie problematisch kunnen zijn

Over opera gesproken, je zingt zelf ook. Is dat wél alleen liefhebberij?

„Ja, een bijvak, zonder druk en puur voor mezelf. Maar zingen hoort wel echt bij me, als kind zong ik de hele dag, pas later kwam de blokfluit. Wat ik ook doe – zingen, fluiten of pianospelen – ik streef altijd naar het verwerkelijken van een bepaald klankideaal dat al aanwezig is in mijn hoofd. Op de blokfluit lukt dat me inmiddels, met zang en piano nog niet. Maar de achterliggende klankvoorstelling is dezelfde. Luister maar eens naar violiste Julia Fischer, en naar hoe zij piano speelt. Haar persoonlijkheid uit zich op beide instrumenten op een vergelijkbare manier, als het ware dóór het instrument heen.”

Je ouders zijn beiden professioneel cellist, je broer en tante violist. Eén grote muziekfamilie. Je noemde jezelf eigenwijs. Waarom niet in je beroepskeuze?

„Op blokfluit gaat alles lekker snel. Ik kon meteen samenspelen, had meteen leuke concerten. Dat was genoeg reden er als kind mee door te willen gaan, en de steun van mijn ouders versterkte dat. Zij werden er gelukkig van als ík gelukkig werd van muziek. Op die dynamiek berusten vele families van professionele musici.

„Als puber ging ik me natuurlijk wel afvragen: is dit iets van mezelf? Maar toen was het antwoord: ja, inmiddels wel. Omdat ik al een eigen taal had ontwikkeld. In muziek kun je heel direct communiceren, veel beter dan in taal. Taal is een vorm van muziek, niet omgekeerd.”

Toch: je had ook iets anders kunnen studeren.

„Ik heb iemand wel eens horen zeggen dat kunstenaars hun beroep maken van iets wat eigenlijk behandeld moet worden. In mijn geval is dat een obsessieve aandrang tot perfectie. In het normale leven zou dat misschien problematisch kunnen zijn, in de muziek kan ik me gezond uitleven.”

De jury van de Muziekprijs roemt je veelzijdigheid. Is die voor een perfectionist niet ook een last?

„Absoluut. Tipt iemand me een boek? Ik sta al in de winkel. Hoe meer ik weet, hoe meer ik verlang. Eén voordeel: ik ben gewend veel ballen hoog te houden. Zeker op de middelbare school had ik het zo druk met leren en muziek maken dat daarna alles meeviel. Nu is alles alleen nog maar muziek. Lekker overzichtelijk.”

Geen sociaal leven?

„Niet als je me vergelijkt met mijn vriendinnen die nu bij een studentenvereniging zitten. Ik kom wel op feestjes, maar het is geen gewoonte. Gelukkig respecteren musici elkaars gefocuste gedrevenheid; iedereen is zo. Zelfs koffiedrinken doe ik gepland. Maar dan kan ik van die verdiende koffie ook wel echt genieten.”

Mislukking lijkt me zeg maar niet helemaal jouw ding.

„Klopt, ik raak gefrustreerd als niet alle variabelen te beheersen zijn. Nodeloze misverstanden die ontstaan door andermans nalatigheid, daaraan kan ik me nodeloos ergeren. De standaard waaraan ik mezelf afmeet, blijkt dan een beetje afwijkend. Wat ik doe, kan altijd beter. En dus ben ik altijd bezig.”

En toen kwam alles stil te liggen.

„Ja, dat was voor mij persoonlijk wel een goede training in geduld. Ik kan nu eindelijk video’s editen, partituren maken. Het gaf ook denkruimte. Als mijn derde cd verschijnt, wat moet daar dan op staan? Wat wil ik verder – ná de Muziekprijs? Nou, continuo leren spelen bijvoorbeeld, op klavecimbel, zodat ik straks ook op die manier kan dirigeren.”

Zondag krijg je de prijs uitgereikt door Minister Van Engelshoven, in een verder leeg Muziekgebouw. Had je het feest niet liever uitgesteld?

„Spelen zonder publiek is minder feestelijk, maar dat ik überhaupt weer mág spelen, met een ensemble en met blazers, voelt als een enorme happening en een unieke kans. Ik smacht er ook echt naar.”

Je speelt naast Bach ‘Sweet’ (1964) van Louis Andriessen, een toen vernieuwend stuk met tape, gecomponeerd voor Frans Brüggen. Waarom net dit stuk?

„Als eerbetoon aan Brüggen en Andriessen. Destijds gold ‘Sweet’ als onspeelbaar, het bevat enorme registerwisselingen, noten die nooit voorkomen en die je er toch uit moet persen. Het gáát over het falen van de solist, als het ware. Louterend voor mij om te spelen, maar vooral een baanbrekend stuk in het eigentijdse fluitrepertoire. Ik ben bij Andriessen langs geweest om het door te nemen, maar hij zei: speel het zoals jij denkt dat goed is. Dat gaf me het zelfvertrouwen dat ik zocht.”

Uitreiking van de Nederlandse Muziekprijs aan Lucie Horsch: 7 juni om 15u, m.m.v. Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam. Het concert wordt op 14 juni uitgezonden op Radio 4.