Mensen zullen verdwijnen, maar de liefde blijft

Grunberg per trein van New York naar Miami #3 Schrijver Arnon Grunberg verlaat zijn woonplaats New York op zoek naar de VS in coronatijd. Hij reist naar Miami en verkent in een dagelijkse serie onderweg enkele steden. Vandaag Baltimore.

Het ‘American Visionary Art Museum’ in Baltimore.
Het ‘American Visionary Art Museum’ in Baltimore. Foto Arnon Grunberg

Het centrum van Baltimore blijkt een woestijn van architectuur waar vrijwel geen winkel te vinden is, Amerikanen spreken dan al snel van een food desert. Ja, er is een Dunkin’ Donuts, een Vietnamees restaurant, de Cheesecake Factory, waar een gezette man ons een fles San Pellegrino verkoopt, maar als we hem vragen of hij een flessenopener heeft, antwoordt hij: „Ik heb geen barkeeper.”

Geen barkeeper, dan ook geen opener.

De man probeert de fles met zijn handen te openen, hij verliest het gevecht.

Het is twee dagen na de dood van Floyd, hier is het vuur nog niet uitgebroken; nog even heeft corona de overhand.

Er zijn musea, dicht uiteraard, die voor kleur zorgen. Zo heeft het National Aquarium een gevel die aan Mondriaan doet denken. Het nabijgelegen American Visionary Art Museum heeft het woord ‘love’ in neon op de gevel. Door de leegte lijkt dit kunstwerk uit te drukken: mensen zullen verdwijnen, liefde blijft.

Volgens de website van het museum is het opgericht door Rebecca Alban Hoffberger, die de nadruk wil leggen op „intuïtieve, creatieve uitvindingen”. Ze was werkzaam voor het programma People Helping People Inc. van de afdeling psychiatrie van het Sinai ziekenhuis in Baltimore.

Nabij het Radisson Hotel Baltimore Downtown-Inner Harbor, waar ik de nacht zal doorbrengen, bloeit de straatprostitutie. Een van de vrouwen, midden dertig schat ik, heeft zulk paars haar dat haar hoofd schittert als een kleine zon.

Het hotel ontvangt ons met aanplakbiljetten: ‘Geen openbare wc’s.’

Wel blijkt de straatprostitutie zich in het hotel voort te zetten, het hotel is tijdelijk rendez-voushotel.

Op mijn kamer eet ik met Vere, die mij vandaag vergezelt, garnalen. De bezorger kwam ze glunderend naar de 17de verdieping brengen. Ik gaf hem een goede fooi. Nu ik weet tot welk ras ik behoor, het ras van de laatste mensen, heb ik mijn fooien verdubbeld; ook qua fooien is het nu of nooit.

Om een uur of negen breng ik Vere naar het station van Baltimore, ze gaat terug naar New York. Twee heren verschijnen in de stationshal, Spanjaarden misschien, Latino’s. Ze hebben koffers bij zich en uit een van de koffers steekt een bezemsteel, die associaties wekt met performancekunst.

Een agent verwijdert de heren. „Waarom doet u dat?”, vraagt Vere.

„Ze hebben geen kaartjes.” zegt de agent. „Ze proberen al de hele dag hier te bivakkeren.”

Later sms’t Vere: „De heren zijn met hun koffers over het hek geklommen en op het perron beland, maar de spoorwegpolitie heeft hen verwijderd.”

De volgende ochtend sta ik in het Radisson in de lift met de straatprostituee met het paarse haar.

Onder de arm een toilettas en aan haar voeten prachtige zwarte pantoffeltjes, die ze de dag ervoor nog niet droeg.

Wordt vervolgd