De zoetheid van de aardbei, die vergeet je weer

Zin in eten Koken doen veel mensen, eten doet iedereen. Marjoleine de Vos over zien, ruiken, proeven, samenzijn en het raadsel van de smaakherinnering.

Foto Benning & Gladkova

Soms zeggen we maar wat. „Die gebakken garnalen die we twee jaar geleden bij die Italiaan kregen, dat waren wel de lekkerste ooit.” Of: „Weet je nog, die rode biet met frambozen?” En we trekken een verrukt gezicht en beamen: „Nou! Heerlijk!” Het is niet zo dat er dan iemand aan het liegen is, beslist niet. Want die garnalen waren bijzonder lekker, dat weet je heel goed, en ook die bietjes met frambozen bleken een gouden combinatie, bijzonder voor herhaling vatbaar. Maar het vreemde is dat je je eigenlijk niet kunt herinneren hoe die garnalen of die bietjes dan smaakten.

Nu ja, natuurlijk wel iets ervan, je denkt aan de geur en het uiterlijk van gebakken garnalen en gebakken knoflook – een geur die altijd iets verrukkelijk vakantie-achtigs heeft en je direct naar zuidelijke landen voert met morsige tentjes en stoeltjes in het zand en gerechten die uitblinken in eenvoud en smaak en zonlicht en ziltheid en geluk, omdat het daar toen ‘nu’ was en ‘hier’.

Maar wat weet je van de smaak zelf?

Het blijft een raadsel hoeveel smaakherinnering een mens eigenlijk heeft. Zeg ‘rode biet’ en ik denk ‘gronderig en zoet’ en ik zie de rode biet en voel duidelijk van binnen welke kant het opgaat met die smaak – maar dat is niet omdat ik me de precieze smaak te binnen kan brengen.

Die bestaat alleen maar ‘nu’ en ‘hier’.

Pijn is niet te onthouden, maar ook de wind op je huid niet, de kus op je lippen, de zoetheid van de aardbei

Als het over pijn gaat is iedereen het eens: pijn onthoud je niet. We praten erover in gradaties van hevigheid, onduldbaarheid, maar hoe is het met pijn: zodra-ie er is ben je zijn gevangene en zodra-ie weg is ben je weer vrij. Je kunt bang zijn voor pijn, je kunt je de angst herinneren, je hart gaat al harder bonzen als de tandarts de boor aanzet, je spant je spieren al een beetje want je wéét wat er komt. En toch is de pijn er pas als-ie er is.

Net als de smaak. Ik denk: net als elke zintuiglijke gewaarwording. De zintuigen hebben geen geheugen. Pijn is niet te onthouden, maar ook het gevoel van de wind op je huid niet, de kus op je lippen, de zoetheid van de aardbei.

Natuurlijk hebben we wel zoiets als voorstellingsvermogen. Iemand die bijvoorbeeld bezig is zich door een tekst over de modaliteiten van het werkwoord heen te werken, kan herhaaldelijk en nauwkeurig een gebakken kaasboterham voor zich zien en die zelfs ruiken, de eruit bloezende gesmolten kaas, waar je dan een lepeltje sambal op doet, of sambal gemengd met tomatenketchup (echt heel lekker bij een tosti). Het water loopt haar in de mond, het is alsof die kaasboterham zich materialiseert, ze ruikt hem! Ze proeft hem!

Behalve dat dat niet zo is en dat de eerste hap direct de realisatie brengt: dit is lekkerder dan ik me voor kon stellen.

De herinnering zowel als het voorstellingsvermogen brengen ons nooit de sensatie zélf te binnen, alleen aspecten ervan, woorden, beelden en flarden. Even vermoed je iets van het zoetzurige van die bietjes, de warme kerriesmaak van het bloemkoolgerecht, je proeft die als het ware. Het zit hem in die laatste woorden. Als het ware. Dat is genoeg om te denken: daar heb ik zin in, enórme zin zelfs. De meer ervaren koks hebben dat ook bij onbekende gerechten, de creatieven verzinnen zelfs smaken die goed bij elkaar zullen passen. Maar proeven doen ze pas als ze proeven.

De ervaring zelf kan alleen maar herhaald worden en die is dan steeds weer nieuw. Waardoor het ook steeds fijn blijft om het eerste slokje witte wijn te nemen, een stukje echte zongerijpte tomaat te proeven of een brokje oude kaas.

Eten is leven. Steeds weer nieuw.