Het gaat ook gewoon om wat er stáát

Gedichten met Deckwitz Hoe lees je een gedicht? In deze serie helpt dichter en columnist Ellen Deckwitz je van je drempelvrees af. Les 7: gelaagdheid is leuk, maar kijk ook naar de oppervlakte.

Illustratie Jenna Arts

‘Waarom gaat poëzie altijd over zo weinig onderwerpen?” vroeg het neefje laatst. „Liefde, verdriet of dood, als het meezit nog alle drie, maar dan houdt het wel op.”

„Nou moe”, zei ik. „Sommige gedichten gaan ook over lust hoor, of over tijd, of haat.”

„Het gaat gewoon altijd over van die Grote Dingen”, zuchtte hij. „Waarom is er nooit eens een gedicht dat gewoon gaat waarover het gaat?”

Even was ik verontwaardigd, ik kon zat gedichten opnoemen die gaan waarover ze gaan. Neem de light verse die draait om taalspel en humorhumor, met verzen als die van Kees Stip: „Bij Noordwijk zwom een nat konijn/ Te midden van een school tonijn. ‘Tja,’ sprak het beest, ‘dat tomt er van,/ Als men de tá niet zeggen tan.” Maar ook in plezierdichten kun je extra lagen vinden. De welwillende interpreet kan stellen dat het konijn uit Stips gedicht symbool staat voor hoe belangrijk taal is om erbij te horen.

Bij poëzie heb je de leesafspraak dat er meer staat dan wat er staat, dat je bepaalde zaken symbolisch op mag vatten, dat je meer over de betekenis kan speculeren dan bijvoorbeeld bij de veiligheidsvoorschriften van een kerncentrale. Daardoor kan het helaas ook allemaal weer wat verheven worden, zodat je de indruk kunt krijgen dat poëzie, hoeveel details ze ook bevat, uiteindelijk geïnterpreteerd móét worden als iets groot en zwaars of iets algemeens. Dat is jammer, want daardoor dreig je het bijzondere van het specifieke uit het oog te verliezen. Neem een gedicht als ‘Jonge sla’ van Rutger Kopland: „Alles kan ik verdragen,/ het verdorren van bonen,/ stervende bloemen/ het hoekje aardappelen/ kan ik met droge ogen/ zien rooien, daar ben ik/ werkelijk hard in./ Maar jonge sla in september,/ net geplant, slap nog,/ in vochtige bedjes, nee.” Ik vroeg eens aan een club studenten waar het over ging en de grote onderwerpen sloegen me om de oren. Kwetsbaarheid! Vergankelijkheid! De Tijd! Geen had het over de bonen, bloemen of aardappels. Ik vroeg hun of ze dit vers vervolgens wilden lezen alsof het een appje van een vriend was. Toen kwamen er andere duidingen. Dat ze er nooit bij stil hadden gestaan dat pas geplante sla slap is. Haast alsof het plantje moet bijkomen van het overpotten. En dat er uit het gedicht ook een soort voortrekkerij spreekt, zei er een, want hoezo leef je mee met die sla maar maakt het je geen bal uit dat je bonen verdorren en je bloemen aftakelen.

De Amerikaanse dichter Billy Collins zei eens dat een gedicht altijd over minstens twee dingen gaat. Het letterlijke en het figuurlijke. Ik ben soms bang dat er te veel naar het laatste wordt gekeken. Het gaat ook om wat er staat, de nuances wanneer als je iets zorgvuldig formuleert.

Van het gedicht ‘Mutatie, 7’ van de Vlaamse dichter Paul Demets, zou je kunnen zeggen dat het draait om de sloopwerkzaamheden van de tijd: een jachtgebied kwijnt weg, documenten vergelen, een insect kruipt uit een stapel. Vergankelijkheid lijkt de grote gemene deler, maar het gedicht is meer dan dat. Er zijn namelijk ook mensen die zich ergens over buigen, vingers die een rooster vormen waar een insect onder stilvalt. Dat suggereert een onmacht die samen lijkt te hangen met de eindigheid van maakbaarheid. Tel daarbij op dat er ondanks het feit dat het jachtseizoen is geopend er niet wordt gejaagd en voilà, het gaat niet meer over vergankelijkheid in het algemeen, maar over dat de mens ondanks alle rapporten geen grip heeft op haar leefomgeving. En als je daarna de rest van de bundel leest, die draait om klimaatverandering, wordt dit vers nog extra gekleurd. Het gaat niet alleen om eindigheid, maar ook om onmacht. Over te ver gaan.

Een gedicht is meer dan haar duiding. Ze is ook klank, sfeer, stemming.

Vergelijk het gedicht van Demets met dat van Kopland. Ze lijken over hetzelfde te gaan, maar zijn zelfs dan totaal verschillend. Uit ‘Jonge sla’ spreekt verwrongen mededogen, uit ‘Mutaties, 7’ machteloosheid. Bij het eerste ruik je de vochtige aarde, bij de tweede een brandlucht. Een gedicht is meer dan haar duiding. Ze is ook klank, sfeer, stemming, een berg schakeringen. En daarom is het belangrijk wanneer je poëzie leest om niet alleen te graven naar wat er allemaal aan extra lagen zit, maar ook te kijken wat er aan de oppervlakte zit. Welke gewassen door de wortels mogelijk worden gemaakt.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.