Deze crisis maakt groten en rijken in de kunst sterker

Cultuur & corona De groten zullen de coronatijden overleven, of er zelfs sterker uitkomen. De kleine, en vooral de niet-gesubsidieerden, zullen het zwaar krijgen. Daardoor komt het hele cultuurveld in gevaar. Want vernieuwing komt van de basis.

Illustratie Kamagurka

Hoe ziet het artistieke veld in Nederland er over een jaar of drie, vier uit? Het antwoord zal ook veel werkers en consumenten in de cultuursector interesseren. Veel is onvoorspelbaar. Een tijdige onderkenning van ongewenste mogelijke uitkomsten kan uitmaken. Dan valt daar wellicht nog wat aan te doen. Bovendien zijn er vast mensen die toch al veranderingen in de kunsten wensten, waarmee juist nu een begin gemaakt zou kunnen worden. Of, zoals SCP-directeur Kim Putters in een interview in NRC zei: „Never waste a good crisis.”

Zeer in het algemeen verwacht ik dat ‘groot’ wint en ‘klein’ verliest. Grote en succesvolle instellingen en veel-verdienende scheppende kunstenaars komen niet heel slecht uit de crisis. En veel anderen wel slecht. Ik verwacht ook dat gesubsidieerde instellingen en gesubsidieerde zelfstandigen beter uit de crisis gaan komen dan de niet-gesubsidieerden.

Dat met of zonder ruimhartige steun de grote spelers de beste kansen hebben is niet anders dan elders in de economie. Als straks het Concertgebouworkest, al dan niet met overheidssteun, goed uit de crisis komt, is dat in lijn met wat overal in de economie gebeurt. Daar bestond al een ‘winner-take-all’-mechanisme en dit dreigt nu alleen maar sterker te worden. In tegenstelling tot kleinere bedrijven zullen de grootste bedrijven zonder veel kleerscheuren de crisis overleven. Dat geldt voor de scheepsbouwer IHC Merwede evenzeer als voor het Concertgebouworkest, De Nationale Opera en Het Nationale Ballet.

Deze drie ontvingen al een groot deel van het totale overheidsgeld voor kunst en dat maakt het voor hen makkelijker om te overleven dan de subtop en het middenveld in de kunst. Hun aandeel in de subsidiegelden is onevenredig groot gelet op de zeer beperkte omvang van hun publiek en gelet op hun bijdrage aan artistieke vernieuwing. De subtop en het middenveld bedienen samen een vele malen groter publiek. De kosten per bezoeker zijn in de top natuurlijk veel hoger dan die van het meer avontuurlijke Metropool Orkest, of van het innovatieve Muziek Theater Hollands Diep, maar dat rechtvaardigt niet hoge subsidies en veel steun.

Bottom-up

Artistieke vernieuwing beweegt zich bijna uitsluitend van onder naar boven (bottom-up), wat dat betreft is een gezond middenveld onmisbaar. Dit is ook van belang voor een levend en levendig cultureel erfgoed, waartoe ook immaterieel erfgoed behoort, zoals de uitvoeringen van Bach en Mahler. Wil een immaterieel erfgoed gedijen en ‘fossilization’ – zoals in de klassieke muziek – ontlopen, dan is innovatie en een zich steeds vernieuwend parallel aanbod voor een groot en enthousiast publiek noodzakelijk. Dit komt door de coronacrisis nu in gevaar.

Illustratie Kamagurka

Door corona dreigt ook het al bestaande proces van toenemende ongelijkheid tussen individuen sterker te worden. In de kunst worden nu de meeste zelfstandige kunstenaars en kunstenaars met flexibele contracten zwaar getroffen, terwijl de kleine groep kunstenaars met zeer hoge inkomens — de winnaars — er op termijn zeker niet op achteruit zullen gaan.

Naast de hogere of lagere positie van kunstinstellingen en kunstenaars doet ook een al dan niet gesubsidieerd zijn ertoe. Weliswaar kunnen niet eerder gesubsidieerde kunstenaars en kleine instellingen, inclusief ensembles, bij de meeste kunstfondsen steun aanvragen, maar hun kansen zijn aanmerkelijk kleiner dan die van de eerder al gesubsidieerden. Naar aanleiding van het Kamerdebat over het steunpakket van 300 miljoen schrijft Atze de Vrieze van 3 voor 12: „De 300 miljoen van het kabinet blijven vooral voor de subsidie-elite.”

Die uitkomst is niet helemaal onverwacht. Het is begrijpelijk dat overheden zich meer verantwoordelijk voelen voor de instellingen en kunstenaars die ze al eerder onder hun hoede namen. Maar of dit het beste is voor een levendig en gevarieerd kunstenveld post-corona? Ik denk het niet. En nu andere keuzen maken is zeker mogelijk.

Terzijde: niet-gesubsidieerde kunstenaars en kleine kunstinstellingen zijn vaak vindingrijker en beter in zogenaamde zelforganisatie dan de gesubsidieerden.

Bovendien: als de toename van het aantal kunstenaars iets minder groot zou worden, is dat geen ramp. Niettemin is er nu, onder de niet-gesubsidieerde kunstenaars veel persoonlijke ellende en dat kunnen we proberen te vermijden.

Illustratie Kamagurka

En wat als er nu juist onder de niet-gesubsidieerde verliezers veel vernieuwers zijn? Zeker in de muziek is dat aannemelijk. Zo is het waarschijnlijk dat een deel van de componisten/uitvoerenden die innovatieve, ‘alternatieve muziek’ maken (waaronder veel dj-producers en rappers/hiphoppers) het veld zullen ruimen. In ieder geval tijdelijk. Als gevolg daarvan zal het genoemde belangrijke ‘bottom-up-effect achterwege blijven. Ook zou in het geval van de hiphop het aanbod voor een toch al niet-geprivilegieerd publiek sterk verminderen.

Zeker zorgwekkend is dat sommige van de niet gesubsidieerde kunstinstellingen failliet zullen gaan of sterk verzwakt zullen overleven. Dat geldt vooral voor instellingen die verantwoordelijk zijn voor kleinere kunstgebouwen en hun programmering. Gebouwen vallen niet om, maar ze kunnen wel een niet-kunst-bestemming krijgen. De niet-gesubsidieerde Ziggo Dome zal straks grotendeels op de oude voet door kunnen gaan. Maar hetzelfde geldt niet voor de niet-gesubsidieerde kunstinstellingen verbonden aan kleine gebouwen, zalen en clubs.

Illustratie Kamagurka

Er is weinig aandacht voor clubs. Ten onrechte worden ze vaak geassocieerd met slechte kunst. Het is niet toevallig dat er in de gesubsidieerde muziekwereld denigrerend wordt gesproken over het ‘commerciële circuit’. Deze kunstinstellingen kunnen nu alleen gebruik maken van de algemene regelingen voor noodlijdende ondernemingen en hun personeel, terwijl hun situatie meestal meer precair is en ze nu en later moeten concurreren met grotere kunstinstellingen die aanvullende steun ontvangen. Zo kan de kunst veel blijvende schade oplopen.

Net als in het gesubsidieerde circuit kan in het niet-gesubsidieerde circuit het verschil tussen groot en klein veel uitmaken. Ook hier bestaat een ‘winner-take-all’-mechanisme. Een voorbeeld is dat van grote muziekfestivals en kleine kunstinstellingen. De laatsten hadden al last van ‘festivalisering’ en grote festivals die niet alleen publiek, maar met exclusiviteit contracten ook artiesten en dj-producers wegkapen. Met of zonder steun, de grote festivals zullen overleven en hun concurrentiekracht zal toenemen, terwijl de kleine kunstinstellingen failliet gaan of beschadigd verder gaan.

Het kan anders

Misschien is de crisis wel het juiste moment om vast te stellen dat er veel meer kunstinstellingen zijn dan in gevestigde kunstkringen wordt gedacht. Zo zijn ongetwijfeld ook veel (nacht)clubs kunstinstellingen. Tezamen bieden ze aan een groot publiek dance, muziek die meestal ook nog alternatief en innovatief is. De clubs zijn vergelijkbaar met kleine zalen waar klassiek en jazz wordt gespeeld. Daarom zal er zonder aanvullende steun na de crisis voor een groot publiek minder kunst zijn en zal de genoemde opgaande beweging van belangrijke muzikale innovaties afnemen. Dat is jammer voor de kunst en voor de samenleving. Maar het kan anders.

Veel blijft onvoorspelbaar en misschien komen de hier beschreven verwachtingen niet uit. Bovendien hoeft een algemeen breed ervaren schokeffect niet alleen maar slecht te zijn. Zo hadden de lange-termijn-uitkomsten van de bezuinigingen van Halbe Zijlstra (die later ten dele ongedaan zijn gemaakt) ook positieve effecten. Een gezapige kunstwereld werd wakker en er kwam nieuw elan. Nu kan de schok leiden tot een ruimere definitie van kunst en tot een betere verdeling van subsidies. Maar dan zullen er de komende tijd wel verstandige keuzen gemaakt moeten worden. Help juist nu wat klein en zwak is in de kunst.

En verder: Never waste a crisis.

Hans Abbing is beeldend kunstenaar en econoom/ emeritus professor kunstsociologie Universiteit van Amsterdam. Inl: hansabbing.nl