Opinie

Demonstreren op anderhalve meter moet kunnen

Demonstratie op de Dam

Commentaar

Het is toe te juichen dat zoveel mensen maandag van hun recht op demonstratie gebruikmaakten. En dat zij zich geraakt voelen door een thema dat in Nederland ook speelt: de ongelijke behandeling van zwarte burgers. Zoals het ook is toe te juichen dat diegenen die tegen het lockdownbeleid van het kabinet zijn eerder in het pinksterweekend ook de kans kregen dat kenbaar te maken – al gold toen nog een verbod op samenscholing van meer dan dertig man.

Het ruchtbaarheid geven aan je mening is een groot goed. Er hoeft in Nederland geen vergunning aangevraagd te worden voor een demonstratie. Het op voorhand verbieden van een openbaar protest kan alleen via de rechter, en dat leidt vrijwel altijd tot ophef.

Lees ook: Halsema heeft heel wat uit te leggen, vinden vriend en vijand

Burgemeesters horen demonstratie ook te faciliteren. Waarbij zij zich niet met de inhoud van het protest dienen te bemoeien. Dat burgemeester Femke Halsema van Amsterdam tegenover lokale zender AT5 de Black Lives Matter-demonstratie „te belangrijk” noemde om te ontbinden, wierp een zweem op van partijdigheid. Dat was een onhandige en onverstandige uitspraak, die ze later op de dag corrigeerde door terecht op de vrijheid van demonstratie voor iedereen te wijzen.

De enige beperkingen die burgemeesters horen te bespreken met demonstranten gaan over plaats, tijd en lawaai. De enige afwegingen die zij horen te maken, zijn – zoals vastgelegd in de Wet openbare manifestaties – de openbare orde en veiligheid, de veilige doorgang van hulpdiensten, en de bescherming van de volksgezondheid.

Dat de minister van Volksgezondheid het nodig vindt om burgemeesters per brief „nadrukkelijk” nog eens op dat laatste te wijzen en hen vraagt „de verspreiding van Covid-19 mee te wegen” in hun afweging demonstraties wel of niet toe te staan, wijst op onderschatting van de worsteling waarmee veel burgemeesters al weken kampen. Zij maken die keuze al steeds.

Want in hoeverre mogen grondrechten worden ingeperkt in deze coronacrisis, zoals de afgelopen maanden door de noodverordeningen gebeurde? De bal is gelegd bij lokale bestuurders, maar het is aan het kabinet om haast te maken met een coronanoodwet, zodat alle onduidelijkheden – niet alleen over de vrijheid om te demonstreren, maar ook die om aan religieuze bijeenkomsten deel te nemen – een einde komt.

Lees ook een eerder commentaar: Het coronabeleid heeft dringend meer legitimiteit nodig

Halsema koos voor het recht op demonstratie. Dat zij „overdonderd” werd door de aantallen demonstranten nadat ze gedurende het weekend daar „wel al onrustig over was”, toont vooral een inschattingsfout. Het verantwoordingsdebat daarover hoort overigens thuis in de gemeenteraad, niet in andere gremia.

Halsema en de rest van de driehoek hadden op z’n minst voorbereid moeten zijn op een massa, gezien soortgelijke demonstraties in andere landen. Voorbereid op een groep mensen – ongeacht omvang – die het moeilijk zou vinden om in de hitte van het debat afstand te houden.

Die voorbereiding moet de organisatie, die verantwoordelijk is voor het verloop van een demonstratie, ook treffen. Altijd al, maar in coronatijd met de extra taak te zorgen dat afstand wordt gehouden, zoals de noodverordeningen voorschrijven. Een oproep daartoe, de stap voor het ontbinden van de demonstratie, past ook in het arsenaal van een burgemeester.

De vraag die blijft, is wat er in de openbare ruimte kan. Maar demonstreren moet ook op anderhalve meter mogelijk zijn.