De gespierde schoonheid van Hildo Krop

Jubileumjaar Hildo Krop Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat beeldhouwer Hildo Krop overleed. In Amsterdam zijn de sporen van zijn ‘gemeenschapskunst’ nog op tal van gebouwen te vinden.

Beelden en ornamenten van Hildo Krop uit ca. 1927 op de gevel van het Grand Hotel Amrâth in Amsterdam.
Beelden en ornamenten van Hildo Krop uit ca. 1927 op de gevel van het Grand Hotel Amrâth in Amsterdam. Foto’s Floris Leeuwenberg

Op latere leeftijd bleek Hildo Krop zelf niet eens meer precies te weten wat hij allemaal had gemaakt – zo veelomvattend was zijn oeuvre. Emmy Lagerweij-Polak, die na zijn dood een monografie aan hem wijdde, vertelde dat ze in 1965 met de vooraanstaande beeldhouwer een wandeling had gemaakt langs het rijkelijk gedecoreerde Scheepvaarthuis in Amsterdam, schuin tegenover het Centraal Station. En dat hij toen moeite had aan te wijzen welke van de talloze gevelversierselen van zijn hand waren en welke niet. Er hadden immers ook andere beeldhouwers aan meegewerkt. Met als gevolg dat in de monografie lang niet alle beelden en ornamenten aan de juiste kunstenaar konden worden toegeschreven.

„Er waren wel allerlei vermoedens, maar we wisten lang niet alles zeker”, zegt Louise de Blécourt, conservator van Grand Hotel Amrâth Amsterdam, de huidige benaming van wat voorheen Het Scheepvaarthuis heette. Ze vond aanwijzingen in de kasboeken van architect Joan van der Meij, die in het begin van de vorige eeuw de leiding had over de bouw – niet alleen in artististiek, maar ook in financieel opzicht. In die kasboeken was onder meer een overzicht te vinden van ‘beeldhouwwerk, kunstsmeedwerk, loodversieringen etc. aan de gevels’. En daarbij noteerde Van der Meij niet alleen wat er werd afgebeeld, maar ook bij welke kunstenaar hij het object in opdracht had gegeven. Eén initiaal was genoeg om de maker te identificeren. Als achter een beeldhouwwerk de letter K stond, betekende dat: Hildo Krop.

Een overtuigend voorbeeld is de vermelding ‘b.Holl. Leeuw in tuin’, gevolgd door enkele technische bijzonderheden en een K. Eén blik op de achtergevel van het gebouw, aan de Buiten Bantammerstraat, is genoeg om te zien naar welk object deze notitie verwijst: het trotse profiel van de leeuw uit het Nederlandse wapen. Het is bovendien een typerend staaltje Amsterdamse school, met die wellustige uitstulping van baksteentjes die de leeuw zijn houvast aan de gevel geven. Tegelijk tonen twee andere kunstwerken, eveneens aan de achterkant van het gebouw, dat Krop veel meer dan één stijl beheerste. Ook het statige standbeeld van L.D.P. Op ten Noort, een van de zes reders die het Scheepvaarthuis lieten bouwen, en de hoekige reliëfkop van Neptunus boven de achterdeur zijn van zijn hand.

Beelden en ornamenten van Hildo Krop uit ca. 1927 op de gevel van het Grand Hotel Amrâth in Amsterdam.
Foto Floris Leeuwenberg
Beelden en ornamenten van Hildo Krop uit ca. 1927 op de gevel van het Grand Hotel Amrâth in Amsterdam.
Foto Floris Leeuwenberg

Louise de Blécourt verrichtte haar onderzoek in het kader van het jubileumjaar dat aan Krop wordt gewijd, ter gelegenheid van zijn vijftigste sterfdag. Met tentoonstellingen en lezingen in de Amsterdamse musea Het Schip en Arcam en in het Hildo Krop Museum in zijn geboorteplaats Steenwijk. Bovendien worden de komende maanden rondleidingen georganiseerd langs gevelbeelden in Amsterdam-Zuid (door ArtZuid) en binnen en buiten het Amrâth-hotel. Zo rijst, alles bij elkaar, het beeld op van een veelzijdig man die ook wel vrij werk maakte – meubelen, keramiek – maar die voornamelijk voor opdrachtgevers in touw was. En zo zag hij zich ook: als een ambachtsman. „Hij houdt van zijn vak, van zijn vak-als-handwerk ook, met een soort stille hartstocht”, schreef het dagblad De Tijd in 1957.

Bakkersopleiding

Hildo Krop (1884-1970) was de zoon van een banketbakker te Steenwijk en stond ook zelf op de nominatie om bakker te worden. Op zijn veertiende, toen hij niet meer wilde doorleren, begon zijn bakkersopleiding. ’s Avonds volgde hij boetseerlessen op de ambachtsschool. Niet omdat hij zich wilde bekwamen in de beeldende kunst, maar om de koopwaar in vaders bakkerswinkel extra attractief te maken door die te decoreren met marsepeinen figuurtjes. Vooral het spuiten van vogeltjes op taarten ging hem, blijkens zijn monografie, uitstekend af. Pas toen hij al in de twintig was, raakte Krop in contact met kunstzinnige kennissen die hem de weg wezen naar een kunstopleiding.

Lees ook: Vredesadelaars en goud fonkelende zeemeerminnen

Als gediplomeerd kunstenaar debuteerde hij in 1913 met een gedenksteen voor het gebouw van de pas opgerichte Bond voor Minder Marinepersoneel in Den Helder - een boei met het monogram van de vakbond en sterk gestileerde golven, zonnestralen en een bliksemschicht. Hij kreeg de opdracht van de architect Piet Kramer die met dit bondsgebouw eveneens zijn debuut maakte: het was zijn eerste zelfstandige project. Op voorspraak van Kramer werd Krop daarna ook betrokken bij een project dat in architectenkringen – en niet alleen daar – de gemoederen danig bezighield: een hoofdgebouw voor zes rederijen, onder één dak, aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Het moest grootser dan groots worden, aldus de zes opdrachtgevers. Hun eisenpakket maakte melding van ‘een dominerende baksteenbouw, echter in moderne vormen en niet al te sober van versiering’. Het eerste gebouw, opgeleverd in 1916, kostte anderhalf miljoen gulden. Voor de uitbreidingsfase, die er tien jaar later bij kwam, werd bijna twee miljoen uitgetrokken. Menigeen meende destijds te weten dat er in de hoofdstad nooit eerder zo’n duur gebouw was verrezen.

Beeldhouwer Hildo Krop in zijn atelier, 19 februari 1964. Foto Bilsen, Joop van / Anefo

‘Niet al te sober van versiering’ was voorzichtig geformuleerd. Van binnen en van buiten wemelt het Scheepvaarthuis immers van de uit baksteen, graniet, smeedijzer, hout, marmer en gips vervaardigde portretten, standbeelden, landschappen, havengezichten, mythologische motieven en symbolische verbeeldingen die met soberheid weinig te maken hebben. Als rechterhand van chef-beeldhouwer Hendrik van den Eijnde moet Hildo Krop tientallen objecten hebben gemaakt, wat hem de kans gaf op grote schaal te laten zien wat hij in zijn mars had. „Als beeldhouwer voor het Scheepvaarthuis maakte Krop een vliegende carrièrestart”, beaamt De Blécourt.

Lees ook: De teloorgang van de sociale woningbouw in Nederland

Maar de belangrijkste wending in zijn loopbaan moest toen nog komen. Terwijl de werkzaamheden aan de Prins Hendrikkade nog gaande waren, had Krop al contact gelegd met de gemeente Amsterdam. Sinds enkele jaren bestond daar de Dienst Publieke Werken die de leiding had over een omvangrijk programma voor stadsontwikkeling, waarin huisvesting en gebouwen voor gemeentelijke diensten een geheel nieuw elan moesten uitstralen. Wat de particuliere sector had gepresteerd met het Scheepvaarthuis, moest ook in de publieke ruimte mogelijk zijn: een harmonisch samengaan van architectuur en beeldhouwkunst. De nieuwe wijken die ten zuiden en ten noorden van het stadscentrum verrezen, moesten één geheel vormen.

In dit idealistische milieu, met geestverwanten als Piet Kramer, Michel de Klerk en H.P. Berlage, kon Hildo Krop zich uitleven in wat destijds werd betiteld als ‘gemeenschapskunst’. Zijn symboliek was socialistisch getint, zodat die door iedereen kon worden begrepen - met robuuste vormen, utopische vergezichten en in steen gebalde vuisten. Het resultaat was een gespierd soort schoonheid die de voorbijganger tot een beter mens moest maken. Tegenover het individualisme van de Tachtigers-generatie stelde hij ‘artisticiteit in dienst van het gemeenschapsbelang’. De door Berlage ontworpen woon- en werkwijk die in de wandeling nog steeds Plan Zuid heet, lijkt tegelijk dienst te doen als Krops oeuvrecatalogus. Zijn werk prijkt op en aan bijna alle gevels, bruggen, plantsoenen en pleinen in die buurt. Waarbij het stoere standbeeld dat Krop na diens dood van Berlage zelf maakte – als toonbeeld van doortastendheid – een passend hoogtepunt vormt.

Krop viel bij de Dienst Publieke Werken zo zeer in de smaak, dat de gemeente Amsterdam hem al meteen in 1916 een vast dienstverband voor halve dagen verstrekte. Hij werd zelfs officieel tot stadsbeeldhouwer benoemd – een titel die vóór en na hem nooit heeft bestaan. Pas in 1941, toen het stadsbestuur in pro-Duitse handen verkeerde, werd hem zijn monopoliepositie afgenomen. En dat was misschien maar goed ook, want hij wenste zich niet aan te sluiten bij zo’n foute organisatie als de Kultuurkamer. Hij bleef tijdens de bezetting buiten de openbaarheid en hield zich alleen bezig met vrij werk en enkele privé-opdrachten.

Beelden en ornamenten van Hildo Krop uit ca. 1927 op de gevel van het Grand Hotel Amrâth in Amsterdam. Foto Floris Leeuwenberg

Eminence grise

Na de bevrijding was Hildo Krop vooral een eminence grise geworden, die zich onder meer beijverde voor maatregelen tegen de dreigende wildgroei aan oorlogsmonumenten in het hele land. Maar tot de artistieke voorhoede behoorde hij niet meer. Zijn figuratieve beeldhouwerij raakte uit de mode; de nieuwe generatie maakte liever sculpturen waarin de abstractie voorop stond.

Opnieuw, net als in zijn jonge jaren, verzette hij zich tegen het individualisme in de kunst. Toen hij in 1957 werd geïnterviewd door De Tijd, sprak hij schamper over „allerlei artistieke afdwalingen”. En in het Algemeen Dagblad, anno 1964, zei hij nog altijd te geloven in de dienstbare rol van de kunsten. In de architectuur bijvoorbeeld: „Men moet zich ondergeschikt kunnen maken aan de totale organisatie.”

En wat vond hij van de tegenwoordige nieuwbouw? „Mensonwaardig! Er wordt gebouwd om winst te maken en niet om de mens te dienen. Het zijn derhalve mensenpakhuizen geworden.” Zo bleef Hildo Krop zijn leven lang de strijdbare idealist die met zijn kunst een betere wereld wilde maken.

Hildo Krop 2020 jubileumjaar. Inl: artzuid.nl/hildo-krop