Voor handel in oud papier zijn geen heldere criteria

Economie en recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: Europees recht.

Foto Vincent Jannink/ANP

Afvalbedrijf Interseroh in Reutlingen, Duitsland, zamelt gebruikte papieren verpakkingen in. Na sortering wordt een mengsel van dit afval, bestaande uit papier, karton en maximaal 10 procent ‘stoorstoffen’ (drankkartons, kunststof, plakband, nietjes, etensresten in pizzadozen) overgebracht naar de kartonfabriek van Eska in Hoogezand in Nederland. Voor het transport heeft Interseroh volgens de Europese voorschriften een ‘exportcontrolevergunning’ van de Duitse en Nederlandse autoriteiten nodig, die voorziet in „voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming”.

Eska spande zich in voor een minder omslachtige vergunning. Met succes, want de Raad van State besliste in 2015 dat voor dit afvalmengsel een eenvoudige informatieverplichting volstaat. Op grond hiervan vroeg Interseroh de Duitse afvalinspectie ook in te stemmen met zo’n simpeler vergunning. Die weigerde, omdat het afvalmengsel daarvoor te veel stoorstoffen bevatte. Het geschil belandde bij de bestuursrechter in Stuttgart. Die legde het voor een bindende uitleg van de Europese regels voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De hoogste Europese rechter concludeerde vorige week dat de spelregels geen duidelijke criteria bevatten wanneer voor de handel in een papierafvalmengsel een ‘lichte’ vergunning genoeg is, dan wel een ‘zware’ vergunning vereist is. Die komen er voorlopig ook niet, want de EU-regeringen en de Europese Commissie hebben geen plannen voor de recyclingbranche de toelaatbare verontreiniging van afvalmengsels met stoorstoffen nauwkeurig te definiëren. Daardoor hebben de bevoegde nationale autoriteiten meer ruimte om een eigen afweging te maken. Worden zij het, zoals in deze zaak, niet eens over de indeling van een afvalmengsel, dan moeten zij voor de handel daarin volgens het Hof de zware procedure volgen.

Uitspraak: ECLI:EU:C:2020:398