Analyse

Van lelijk eendje naar de top van de Britse beurs

Deze rubriek belicht iedere week beursfondsen die in de belangstelling staan. Ditmaal: farmaceutisch concern AstraZeneca.

A sign of the times, vond de Britse zakenkrant Financial Times (FT) het. Royal Dutch Shell is sinds eind april na jarenlange hegemonie niet langer het waardevolste bedrijf aan de Londense beurs. AstraZeneca haalde het olieconcern in. Eerder moest Unilever al plaatsmaken voor het farmaconcern. Een dikke maand later straalt AstraZeneca nog steeds bovenaan de FTSE 100-index.

Medicijnen verslaan olie. Gek is dat niet, zoals de FT al zei, in deze tijd. Toen Saoedi-Arabië begin maart de olieproductie na een geschil met Rusland flink opvoerde, verloor een vat Brent meer dan de helft van zijn waarde. Daar kwam de coronacrisis overheen. De wereldwijde vraag naar olie nam af. Met als gevolg dat de prijs nog meer zakte. Dat deed Shell flink pijn. Het aandeel koerst in Londen nog altijd een kwart lager dan begin maart.

Met de farmaceutische industrie gaat het beter. AstraZeneca, Gilead, GlaxoSmithKline – veel medische aandelen doen het goed. Specifieker: ‘vaccinaandelen’. Farmabedrijven die een mogelijk middel tegen het coronavirus ontwikkelen, hebben op de beurs de tijd van hun leven. In dezelfde tijd dat Shell een kwart verloor, won AstraZeneca 16 procent.

Het Brits-Zweedse AstraZeneca had de laatste weken veel heuglijk nieuws te melden. Eind april koos het Jenner Institute, een prestigieuze medische onderzoeksgroep van Oxford University, het farmaconcern als partner voor de ontwikkeling van een coronavaccin. AstraZeneca helpt onderzoekers van het instituut die het mogelijke vaccin vonden bij de productie en distributie ervan als het klaar is (op zijn vroegst dit najaar). Halverwege mei volgde een duizelingwekkende subsidie van de Amerikaanse overheid voor dit project, omgerekend 1 miljard euro.

Het recente succes van AstraZeneca (24,3 miljard dollar omzet, ruim 61.000 werknemers) komt niet uit de lucht vallen. De farmagigant, die in 1999 ontstond door fusie van het Zweedse Astra en het Britse Zeneca, is al acht jaar stilletjes bezig met een transformatie. Deze is ingegeven door topman Pascal Soriot, die eind 2012 overkwam van de Zwitserse concurrent Roche.

„Destijds was AstraZeneca het lelijke eendje van farma”, zegt Marcel Wijma van het Van Leeuwenhoeck Institute, dat zich toelegt op financieel en marktonderzoek in zorg en biotech. Onder Soriot rukte het concern op naar de voorste linies in de branche. Letterlijk. In 2016 is het hoofdkantoor verplaatst naar Cambridge, het centrum van de Britse medische wetenschap. „Daarmee hebben ze veel meer zicht op de laatste ontwikkelingen en kunnen ze nieuwe wetenschappers aantrekken.”

Belangrijker dan dat, zegt Wijma, is dat AstraZeneca veel meer geld in onderzoek is gaan steken. „Ze waren in 2012 voor hun inkomsten afhankelijk van een paar patenten op het gebied van maagaandoeningen en hart- en vaatziekten. Die waren toen aan het aflopen.” Uit eigen onderzoek zijn de laatste jaren kankermedicijnen Tagrisso, Imfinzi en Lynparza ontstaan, de nieuwe vlaggeschepen van AstraZeneca.

Kijk je naar de omzet, dan valt op dat die sinds 2012 is áfgenomen, met 4 miljard dollar. De winst is zelfs met twee derde verminderd tot 2,9 miljard dollar. In de tussentijd steeg de beurskoers toch met meer dan 200 procent.

De crux is de opbouw van de omzet. In 2012 was een tiende daarvan afkomstig uit oncologie. De rest kwam vooral uit maag- en hartmedicijnen waarvan het patent afliep. Vorig jaar kwam bijna 40 procent uit oncologie, met dank aan die drie nieuwe kankermiddelen. Naar verwachting zal de verkoop daarvan de komende jaren sterk stijgen. En precies die belofte, samen met het vaccin dat in ontwikkeling is, stuwt AstraZeneca tot boven Unilever en Shell, zegt Wijma.