Rob Versloot: „Ik wilde altijd de beste zijn, winnen. Als ik vijf seconden sneller was dan de ander, was mijn dag goed. Nu denk ik: ja, en dan?”

Interview

‘Ik probeer sterk te zijn, maar af en toe ben ik een zachtgekookt ei’

Wijkagent Rob Versloot Boeven vangen, dat was wat Rob Versloot wilde toen hij bij de politie ging. Toch ruilde hij zijn rechercheursbaan in voor die van wijkagent. „Ik wil dat mensen mij benaderen als ze ergens mee zitten.”

Rob Versloot (55) is niet altijd het ideale type geweest om wijkagent te worden. Had je hem twintig jaar geleden gevraagd wat hij dacht te worden, dan had hij waarschijnlijk gezegd dat hij zichzelf niet zag als „iemand die rondjes door de wijk zou fietsen om praatjes te maken”. Toen hij bij de politie kwam, voelde hij zich aangetrokken door het stoere imago van het beroep. Hij wilde criminaliteit bestrijden, boeven vangen.

Versloot kwam uit het leger, waar hij op zijn achttiende was begonnen. Hij was een man met bravoure, zag nergens gevaar. „Ik heb bijvoorbeeld weleens in de loop van een uzi of kalasjnikov gekeken. Dacht: dat komt wel goed.”

Daar kwam verandering in toen hij in 2000 op missie naar Eritrea zou worden gestuurd. Bij een eerdere missie waren twee Nederlandse militairen op een mijn gestapt. Versloot was inmiddels getrouwd en vader van twee kleine kinderen. „Ineens dacht ik: straks overkomt mij dat ook en raak ik mijn arm of been kwijt. Of erger: straks hebben mijn kinderen geen vader meer.” Toen bleek dat de missie weigeren geen optie was, besloot hij ander werk te zoeken.

Het politiewerk was een mooi alternatief. Nog steeds stoer en actief, maar dan zonder die uitzending. Met dezelfde bravoure begon hij aan zijn nieuwe baan. „In het begin dacht ik: ik ben rechercheur man, dat is gaaf. Ik doe alleen de zware zaken. Het idee dat ik toen had van de politieorganisatie: de surveillerende agenten plakken pleisters, de wijkagenten zitten te praten. En de recherche, die pakt de échte zaken aan.”

Roti, familie en vrouwen

Die ‘echte zaken’ waren er, maar het werk had ook een andere kant. „Je doet soms een inval, houdt mensen aan en verhoort ze, maar eromheen was het voornamelijk papierwerk. Op televisie zie je rechercheurs alleen maar rennen en schieten, maar je ziet niet dat ze uren achter de computer zitten te tikken.”

Ook afluisteren klinkt interessant, maar het grootste deel van getapte gesprekken gaat nergens over, zegt hij. „Ik heb een keer een onderzoek gedaan naar een Antilliaanse familie, en daar ging het alleen maar over roti, familie en vrouwen. In het begin is dat grappig, maar na vijf uur dacht ik: jeetje, gaan ze nu weer over roti beginnen?”

Als hij aan het eind van de dag lijkbleek uit de tapkamer kwam, zag hij de wijkagenten vrolijk aan komen fietsen met kleur op hun gezicht. „Die gasten lachten, hadden het naar hun zin. Het begon steeds meer te kriebelen.”

Daar kwam bij dat hij steeds minder voldoening haalde uit het oppakken van criminelen. „Als ik iemand had gearresteerd, moest ik dat een halfjaar later weer doen. En een halfjaar later opnieuw. Op een gegeven moment dacht ik: wat ben ik nou aan het doen? Er moet worden gehandhaafd – anders wordt het een cowboystaat – maar het is wel frusterend.” Hij haalde veel meer voldoening uit bijvoorbeeld het terugbrengen van een gestolen fiets of motor. „Dan belde ik een onverzekerde eigenaar op en was die helemaal gelukkig. Ik dacht: dat is een fijn gevoel.”

Zo kwam het dat Rob Versloot, de man die altijd van aanpakken en actie hield, besloot wijkagent te worden. Zijn omgeving verklaarde hem voor gek. Hij had als rechercheur mooie carrièrekansen. In 2010, hij was toen 45, stapte hij over. „Het had ook met m’n leeftijd te maken. Ik begon de waarde van die sociale kant steeds meer in te zien.”

Slecht nieuws

Hij was nog maar amper wijkagent, toen hij slecht nieuws te verwerken kreeg. Hij had in die tijd een kort kapsel, en liet dat door zijn zoon bijwerken met de tondeuse. „Ineens zei die: ‘Pap, er zit iets raars op je hoofd.’ Het was een wondje dat open bleef gaan. Na onderzoek in het ziekenhuis bleek het een melanoom, huidkanker, te zijn.” Hij was er te laat bij, zo werd hem verteld. De artsen zeiden dat de kanker uitgezaaid was. En dat hij nog maar twee jaar te leven had.

Hij kon het nauwelijks geloven. Doodgaan aan een ziekte, dat paste niet bij hem. „Ik was kerngezond: liep marathons, deed aan survivallen. Dit kon toch niet?”

Lees ook een aflevering in onze coronaserie over vitale beroepen: de wijkagent.

Maar er was ook berusting. „Al snel gingen mijn gedachten naar hoe ik alles netjes voor mijn kinderen achter moest laten. Dat is mijn karakter. Ik moet even janken, maar duw die gevoelens vervolgens weg. Ik heb al snel zoiets van: ja, dat is dan maar zo.”

Enkele weken later stond zijn wereld opnieuw op zijn kop. De kanker bleek toch niet uitgezaaid. „Waarschijnlijk zaten er kleine littekens op mijn longen. Die accentueerden bij de PET-scan en werden aangezien voor uitzaaiingen.” Het melanoom kon worden verwijderd, het herstel duurde relatief kort. „Uiteindelijk ben ik er een maand of vier uit geweest. Daarna kon ik weer beginnen en binnen een halfjaar was ik weer vol aan het werk.”

Ineens had hij zijn leven terug. Het veranderde hem, zegt hij. Hij is sindsdien minder gespannen, maakt zich niet snel meer druk. „In mijn tijd als militair kwam ik op weg naar de kazerne bijvoorbeeld een keer in de file terecht, samen met een maat. En wij dachten alleen: we kunnen niet te laat komen, de kapitein staat te wachten. Toen hebben we de vluchtstrook gepakt en zijn we gaan sjezen. Totaal onverantwoord. Zoiets zou ik nu nooit meer doen. Al zegt de korpschef zelf dat ik nú moet komen, ik ga me niet onverantwoord haasten.”

Met verdachte in gesprek

Ook zijn competitiedrang werd minder, al kwam dat ook omdat zijn verminderde conditie hem daartoe dwong. „Vroeger wilde ik altijd met alles de beste zijn. In de dojo vocht ik tot ik erbij neerviel. De grootste gasten sprong ik in hun nek. Op de hindernisbaan wilde ik altijd winnen. Als ik vijf seconden sneller was dan de ander, was mijn dag goed. Nu denk ik: ja, en dan?”

Dat inzicht gebruikt hij nu in zijn werk. In plaats van een bon of een verbaal uitschrijven, kan het soms nuttiger zijn met de verdachte in gesprek te gaan. „Wat heeft het nou voor zin om dingen in de fik te steken, een raam in te gooien? Vind je dat echt gaaf of leuk? En dan zie je ze kijken: ja, hij heeft eigenlijk wel gelijk.”

Het werk heeft ook lastige kanten. Elke agent heeft meldingen gehad die hij nooit meer vergeet. Bij Versloot is dat er een van een aantal jaren geleden, toen er een oproep binnenkwam voor een reanimatie van een jong kind. Hij was als eerste ter plaatse. Zijn collega ontfermde zich over de vrouw van de kinderopvang, hij begon met reanimeren. „We dachten even dat we het kindje hadden gered – het hartje begon weer te kloppen –, maar het bleek zuurstoftekort te hebben gehad en overleed alsnog. Dat is ontzettend heftig. Reanimaties zijn vreselijk, maar bij kinderen…”

Hij moet slikken als hij het vertelt. Ook na de reanimatie moest hij huilen. Hij schaamt zich er niet voor. „Het is juist goed om bij dit soort zaken je emoties de ruimte te geven. En het is heel belangrijk om wat ik meemaak te bespreken. Met mijn vriendin, of op de wijkpost met collega’s. Anders ga je het opkroppen.”

Ook tegenover burgers wil hij zich niet koste wat kost groot houden. „Ik heb weleens bij een vrouw aan de deur gestaan aan wie ik moest vertellen dat haar man van een flat was gesprongen. Ik belde aan en er kwamen meteen drie kleine kinderen bij haar staan: ‘Stoer, politie!’. En dan denk ik: kut, kut, kut: hoe ga ik dit brengen? Maar je moet wel. Ik heb de kinderen weggestuurd en verteld wat er gebeurd was. Dan pakt zo’n vrouw je beet en gaat huilen. Sommige mensen beginnen op je vest te slaan als je slecht nieuws brengt. Uit emotie, uit wanhoop. Nou, dan huil ik gewoon mee. Ik probeer sterk te zijn, maar af en toe ben ik een zachtgekookt ei.”

De sociale kant past ook beter bij zijn rol als wijkagent. Bonnen schrijven werkt in die functie averechts, zegt hij. Hij moet de contacten in de wijk goed houden. „Als ik als een boeman iedereen op de bon slinger, komt er niemand meer met informatie bij mij. Terwijl ik juist wil dat mensen mij benaderen als ze ergens mee zitten.”

En een flitsende carrière? „Mijn oud-collega’s bij de marechaussee zijn nu allemaal kapitein, majoor of overste. Daar had ik ook voor kunnen gaan. Laatst was er een man in mijn wijk die zelfmoord wilde plegen omdat zijn vrouw hem had verlaten. Samen met een maatschappelijk werker hebben we hem weer op de rit gekregen. Je ziet hem met de dag opbloeien. Dat is misschien niet in criminaliteitscijfers of carrière uit te drukken, maar ik kan er heel blij van worden.”