Christian Triebert in de documentaire Bellingcat: Truth in a Post-Truth World van Hans Pool.

Foto Submarine/ VPRO 2018

Interview

‘De shit in de wereld gaat ondertussen gewoon door’

Christiaan Triebert | Onderzoeksjournalist De jonge Nederlandse onderzoeksjournalist Christiaan Triebert won met zijn team een Pulitzer Prize. „De prijs is vooral een goede reden om weer stil te staan bij de oorlog in Syrië.”

Christiaan Triebert wandelt veel, nu hij, gedwongen door de coronacrisis, tijdelijk weer bij zijn ouders in Leeuwarden woont. Het is vooralsnog onduidelijk wanneer hij weer terug kan naar de VS, waar hij – voor het eerst in zijn leven – een eigen appartement bewoonde. De drukke straten van Brooklyn heeft hij voor nu even ingeruild voor idyllische Friese landschappen. Een drukke redactievloer is vervangen door de zolderkamer van zijn ouders.

Triebert (29) heeft sinds maart 2019 een vaste aanstelling bij het ‘Visual Investigation Team’ van The New York Times. Eerder werkte hij voor onderzoekscollectief Bellingcat, waarvoor hij onder meer een reconstructie van de Turkse couppoging maakte. Met die productie won hij de Europese Persprijs.

Voor zijn werk maakt Triebert veel gebruik van ‘open bronnenonderzoek’, een manier om informatie te achterhalen via openbare data, zoals foto’s, video’s en geluidsfragmenten. Vrij Nederland noemde Triebert eind 2018 niet voor niets een ‘Sherlock Holmes 3.0’.

De grootste erkenning voor het werk van Triebert kwam begin mei, toen The New York Times de Pulitzer Prize voor internationale verslaggeving won voor een reeks van acht artikelen over de Russische schaduwoorlog in Syrië, Europa en Afrika. Twee artikelen uit die reeks kwamen van het team waarvan Triebert deel uitmaakt. Het team maakte voor het onderzoek onder meer gebruik van videobeelden en foto’s om aan de hand daarvan uit te vinden waar Rusland precies bombardementen uitvoerde. Daarbij vonden ze onder meer bewijs voor Russische bombardementen op Syrische ziekenhuizen en het onder vuur nemen van Syrische burgers door Russische piloten.

Het onderzoek waarmee Trieberts team een Pulitzer won:

Hoewel de Pulitzer geldt als de hoogst haalbare journalistieke onderscheiding, blijft Triebert er nuchter onder. Een beetje bezwaard zelfs, vertelt hij aan de telefoon tijdens een van zijn dagelijkse wandelingen: „Op een gegeven moment denk je toch: ‘Wat moet ik er nu nog over zeggen?’ Ik doe uiteindelijk ook maar wat.”

U loopt inderdaad een risico een soort chauvinistisch pronkstuk te worden (‘De Nederlander die een Pulitzer wint’). Maar het gaat natuurlijk wel om de hoogste journalistieke onderscheiding.

„Natuurlijk vier je het wel even: je krijgt een fles champagne thuisgestuurd van je baas en uitgever, maar daarna ga je direct weer aan het werk. Het is ook maar een prijs, weet je?

„Neemt niet weg dat het heel bijzonder is, begrijp me niet verkeerd. We hebben onderzoek gedaan naar Rusland en Syrië. De oorlog woedt al bijna tien jaar, maar bij veel media is er nog maar weinig interesse voor. Het gaat al zo lang door en er is misschien een soort Syrië-moeheid opgetreden. Dat wij dan toch bijna een half jaar de tijd krijgen om het te gaan onderzoeken en dat juist dat onderzoek vervolgens zo’n grote prijs wint, is eigenlijk het belangrijkste. De prijs is vooral een goede reden weer stil te staan bij de oorlog in Syrië, maar ook bij andere onderwerpen die anders onderbelicht blijven. Die prijs laat vooral zien hoe belangrijk het is daarmee door te gaan.”

Lees ook ons profiel over Bellingcat: Nederland is nu de uitvalsbasis van de Bellingcat-speurders

Dit is natuurlijk ook een bekroning voor de ‘Bellingcat-achtige methode’ van onderzoeksjournalistiek. Wat moeten we ons voorstellen bij die methode?

„Een groot deel van die methode draait om het gebruikmaken van de kennis en expertise van een grote groep mensen. Dat lijkt soms haaks te staan op de meer klassieke opvatting van journalistiek, waar wat vaker solistisch geopereerd wordt. De Bellingcat-methode is bijna omgekeerd, omdat het ‘publiek’ actief in het proces betrokken wordt.

„We maken voor een belangrijk deel gebruik van informatie die mensen zelf online hebben gezet. Bellingcat wordt vaak burgerjournalistiek genoemd, maar die benaming vind ik niet helemaal juist: de burgers zijn in ons geval bijvoorbeeld de mensen in Syrië die filmen wat er gebeurt en dat dan online zetten. Dat soort materiaal wordt dan vaak op sociale media geplaatst, en daar maken wij als journalisten vervolgens dankbaar gebruik van. We zoeken dat materiaal op, contacteren de bronnen en proberen uit te zoeken wat we eigenlijk zien door die verschillende informatiestromen te combineren.

„Soms heb je daarmee maar een paar van de puzzelstukjes die je nodig hebt, en soms net wat meer, waardoor je een beter beeld krijgt en makkelijker kunt gaan graven. Meestal kom je zo in een van de tien gevallen ergens op uit, maar negen van de tien keer ook niet.”

Heeft u het idee dat die aanpak ook bij andere media al is ingeburgerd?

„Bij The New York Times hebben we natuurlijk vaak al veel uiteenlopende kennis binnen het team, zoals voormalig oorlogsverslaggevers of mensen die in het leger of de luchtmacht gediend hebben. Dat helpt heel erg als we bijvoorbeeld snel een voor ons onbekend wapen of bomscherf moeten identificeren. Ik kan me voorstellen dat dit veel lastiger is bij Nederlandse kranten omdat die veel kleinschaliger zijn en veel minder mogelijkheden hebben dan The New York Times.”

‘Open source intelligence’ zal op veel redacties nog vaak klinken als een vage term uit een obscure sciencefictionfilm.

„Het draait vooral om het uitbreiden van een gereedschapskist. Bij The New York Times combineer ik de methoden van Bellingcat met traditionele verslaggeving: mensen bellen, ooggetuigen vinden en vaak ook ergens naartoe gaan. Maar we denken binnen het team ook na over de manier waarop we het presenteren.

„Het is niet iets aparts wat je doet, maar het versterkt elkaar eerder. Een zekere vorm van basiskennis zou de ‘moderne’ journalist al erg veel kunnen helpen, ook tijdens normale verslaggeving, om bijvoorbeeld bronnen te vinden. Dit soort specialistische teams komen natuurlijk ook voort uit een best klein wereldje: de vijver om uit te vissen is voor media nog niet heel groot.”

Ondertussen wordt het misschien ook moeilijker om toegang te blijven krijgen tot openbare data.

„Er zullen ongetwijfeld sociale media zijn die minder openbaar worden, denk op dit moment bijvoorbeeld aan Facebook. Maar er blijven ook altijd weer nieuwe sociale media opkomen die informatie voortbrengen, zoals TikTok. Wat ook interessant is, is dat het lijkt alsof de jongere generatie steeds vaker kiest voor sociale media met een kortere houdbaarheidsdatum, zoals Snapchat en Instagram-stories, waarbij de content vaak na één dag weer verdwijnt. Maar openbare informatiebronnen zijn in het algemeen sowieso vaak aan verandering onderhevig, denk bijvoorbeeld ook aan satellietbeelden, en wie ze aanbiedt en of je er bijvoorbeeld voor moet betalen of niet.”

De onderwerpen die u onderzoekt zijn doorgaans best grimmig: MH17, de oorlog in Syrië. Denkt u nooit: het wordt tijd voor wat luchtigers?

„Er gebeurt zoveel in de wereld dat het heel moeilijk is om te stoppen met dat soort onderzoeken. Maar natuurlijk is het soms lastig om extreme filmpjes van bijvoorbeeld bombardementen te onderzoeken. Als het heftige filmpjes zijn, kijk ik die bijvoorbeeld de tweede keer nooit met geluid, omdat dat vaak nog net wat erger is dan de beelden die je ziet. Het is wel belangrijk in acht te nemen wat voor invloed het op je kan hebben. Onderling zijn we daar ook erg mee bezig, want er zijn genoeg mensen geweest voor wie het teveel werd. Daarom hebben we ook training gehad om ermee om te kunnen gaan en het een plek te geven. Maar het blijft natuurlijk heftig.”

Ik kan me voorstellen dat het een tol gaat eisen als u dit werk jaren doet.

„Natuurlijk, zeker omdat je zelf ook gewoon een goed leven leidt. Je bent vaak alleen maar leed aan het onderzoeken en bekijken, en dan voelt je eigen positie enorm bevoorrecht. Dat is natuurlijk ook het ding met die prijs: hartstikke mooi natuurlijk, en vanuit journalistiek oogpunt top, maar er is allemaal shit in de wereld die gewoon doorgaat. Daarom kunnen we die Pulitzer maar het best beschouwen als een aanmoediging om nog meer te gaan onderzoeken en te zorgen dat er aandacht blijft voor zaken die anders uit beeld dreigen te raken, zoals dus bijvoorbeeld de burgeroorlog in Syrië.”

Uiteindelijk is de impact van uw werk dus belangrijker dan uw journalistieke ego?

„Het is natuurlijk wel een enorme aanmoediging: ik ben nu 29, en zodra oudere topjournalisten bij The New York Times je feliciteren, denk je wel even: het is natuurlijk heel vet dat ze respect hebben voor ons werk. Maar uiteindelijk komt het er vooral op neer dat ik nog veel meer van dit soort onderzoeken wil blijven doen. Als ik nog even door kan gaan met zo’n team en zo’n aanstelling, ben ik een zeer gelukkig man.”