Terrassen breiden uit op de stoep, maar van wie is die eigenlijk?

Horeca Maandag gaan de terrassen eindelijk weer open. En hoe. Hele terrassenzeeën zijn toegestaan om consumenten weer te bedienen met tapbier en bitterballen. Maar het is niet voor iedereen een feest.

De horeca in Nederland bereidt zich voor op de heropening op Tweede Pinksterdag. Medewerkers van het Haagse café-restaurant Luden plaatsen een tafel op 1,5 meter afstand. Sem van der Wal/ANP
De horeca in Nederland bereidt zich voor op de heropening op Tweede Pinksterdag. Medewerkers van het Haagse café-restaurant Luden plaatsen een tafel op 1,5 meter afstand. Sem van der Wal/ANP

Het is nogal een overgang: na de terrasloze lente volgt een zomer waarin men moeite moet doen om níét op een terras te belanden. Horecagelegenheden krijgen van veel gemeenten toestemming hun terrassen uit te breiden naar de publieke ruimte: straten, parkeerplaatsen en stoepen voor woonhuizen. Zo ontstaan er in plaatsen van Breda tot het Friese dorpje Eastermar ‘terrassenzeeën’. Zo lang de buurt maar akkoord is, en zo lang er genoeg ruimte overblijft om erlangs te kunnen, ook met een rolstoel. Maar cafés hoeven niet bang te zijn voor „ambtenaren die met een meetlint door de stad gaan”, zegt een woordvoerder van de gemeente Amsterdam. „De regels zijn een leidraad, geen bijbel.”

Met deze rekkelijkheid belonen gemeenten het geduld van ondernemers én van consumenten, die tweeënhalve maand verstoken waren van tapbier en bitterballen.

Maar de terrassenzeeën kennen ook verliezers, zoals omwonenden die te maken krijgen met geluidsoverlast. Hier en daar leidt dit al tot frictie, zoals in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Horecaondernemers tekenden daar plannen om de hele Nieuwmarkt vol te zetten met terrastafels, tot ongenoegen van buurtbewoners.

Grens

De terrassenkwestie raakt aan een fundamentele vraag: van wie is de publieke ruimte? „Ik roep al jaren dat het raar is dat we grote delen van de openbare ruimte beschikbaar maken voor commercieel gebruik, en daardoor delen van de bevolking uitsluiten”, zegt Els Leclercq, stedenbouwkundige aan de TU Delft. „Dan kijken mensen me raar aan, die zeggen: het geeft toch sfeer en karakter aan de stad? Maar de vraag is: waar ligt de grens?” Op een plek als de Beestenmarkt in Delft, vóór corona al een terrassenzee, is die grens wat haar betreft overschreden.

Maarten Hajer, hoogleraar Urban Futures aan de Universiteit Utrecht, noemt de strijd tussen commercie en openbaarheid „een subtiel proces”. De publieke ruimte heeft de commercie ook nodig, zegt hij. „In de sociologie zit een gevoel van: ontmoeten is goed, commercie is slecht. Maar zo simpel is het niet. Voor een goed functionerend plein is van belang dat een winkel, bakkerij of café ervoor zorgt dat de plek schoon blijft. En het hangt er ook vanaf wát voor commerciële plek het is. In de foodcourt van de shopping mall ontmoet je eerder andere bevolkingsgroepen dan op een gewoon terras.”

In sommige andere Europese landen is de horeca al open. NRC-correpondenten maakten een rondje: koffie in Oslo, bier in Berlijn en diner in Madrid

Maar ook al is commercialisering niet per se iets negatiefs, de laatste jaren raakt de publieke ruimte wel erg in de verdrukking, zegt Hajer. En dat is voor sommigen erger dan voor anderen. „Mensen met minder geld, of met meer tijd, zijn afhankelijker van de openbare ruimte. Dat zijn heus niet alleen maar daklozen, het zijn vaak ook minder draagkrachtige ouderen. We moeten niet hebben dat we nu een groep uitsluiten die de laatste tijd evengoed eenzaam is geweest.”

Aangename plekken

Er moeten, kortom, genoeg aangename plekken blijven waar je kunt rondhangen zonder een menukaart onder je neus geduwd te krijgen. Hajer noemt de Amsterdamse Nieuwmarkt als voorbeeld van een plek waar de balans normaal gesproken goed is. „De kracht van die plek is dat je terrasjes hebt aan de rand, en daartussen een ongedefinieerd middenterrein waar je ook een biertje kunt drinken van de Albert Heijn.”

Sander van der Ham, stadspsycholoog en auteur van een boek over de functie van de stoep, hoopt dat horecaondernemers „een sociaal perspectief hebben” op de terrasuitbreiding. „Misschien kunnen ze ook wat plekken aanbieden waar je niet hoeft te consumeren.” Of ze kunnen werken met een ‘uitgesteld kopje koffie’: mensen die wél geld hebben, betalen dan een extra kop koffie, die wordt uitgereikt aan iemand die het niet zo breed heeft. „Zo kun je in de buurt een hele sociale functie vervullen.”

De woordvoerder van de gemeente Amsterdam ziet het voor de minderbedeelden juist zonnig in: de trek naar de terrassen zal een bescheiden volksverhuizing op gang brengen. „Daardoor komt er in parkjes en op bankjes weer méér ruimte.”

De afgelopen maanden zijn mensen bedreven geworden in het gebruiken van die ruimte: overal zaten ze op de klinkers te picknicken. Een positieve ontwikkeling, vindt Els Leclercq: „Die manier van de openbare ruimte gebruiken is tijdelijk en spontaan. Toevallige ontmoetingen nemen ook toe in zo’n ongeorganiseerde setting.”