Recensie

Recensie Boeken

Ook het gepensioneerde midden is klaar met het kapitalisme

Neoliberalisme Ook gepensioneerden nemen nu het kapitalisme onder vuur. Is dat een teken dat de strijd echt is begonnen of dat die eigenlijk al is verloren?

Een aanhanger van het kapitalisme protesteert tegen de verplichte lockdown in Californië, op 1 mei 2020
Een aanhanger van het kapitalisme protesteert tegen de verplichte lockdown in Californië, op 1 mei 2020 Foto Robyn Beck/AFP

Bert de Vries en Gabriël van den Brink kruisen de degens met het kapitalisme. De eerste is voormalig minister van Sociale Zaken namens het CDA. De tweede is voormalig hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg en de Vrije Universiteit. Beide boeken zeggen op een nette manier dat het genoeg geweest is met de globalisering. Het gaat de auteurs niet zozeer om de ongelijkheid die uit de klauwen loopt of de vernietiging van de aarde door voortrazende industriële productie. Het gaat ze vooral om gebrek aan zeggenschap over de economie. Ooit werd je dan weggehoond als aanhanger van het arbeiderszelfbestuur, maar die tijd is voorbij.

De toestand is bekend. Beleggers, bedrijven en banken gaan hun goddelijke gang en gewone mensen kijken toe hoe hun pensioen verdampt en winst naar verre oorden verdwijnt. Wat te doen?

Van den Brink rekent in Ruw ontwaken uit een neoliberale droom af met het liberalisme als maatschappij-filosofie. Wat in de jaren zestig begon als zelf kiezen met wie je vrijt eindigde in de jaren nul als bluffen hoe hard je rijdt. Het liberalisme ontspoorde in neoliberalisme, de overtuiging dat de samenleving ook maar een markt is. Dat leidde tot het idee dat burgers niet meer dan klanten zijn, en dat heeft dertig jaar lang bepaald hoe we ziekenhuizen, scholen en spoorwegen inrichtten. Met veel chagrijn tot gevolg.

We moeten daarom niet verbaasd zijn wanneer mensen zich van de politiek afkeren of zich tot populisten wenden. Want Nederlanders, zo laat Van den Brink zien, houden niet alleen van vrijheid maar ook van samenwerken, solidariteit en vrijwilligerswerk. Ze zijn niet op de wereld voor zichzelf, maar voor elkaar. Dat moet tot uitdrukking komen in een politiek mensbeeld, een moraal die bindt.

Corporatieve werkwijze

Zijn ondertoon is dat liberalisme iets Angelsaksisch is en dat Europa een eigen koers verdient. We moeten daarom volgens Van den Brink de ‘corporatieve werkwijze’ nieuw leven inblazen. Dat is het model van de Rabobank of van Friesland-Campina – waar leden in plaats van anonieme aandeelhouders de dienst uitmaken in ondernemingen. De ‘corporatieve werkwijze’ combineert economische, sociale en culturele doelen en neemt democratische besluiten. Dat soort organisatievormen, aldus Van den Brink, zijn typisch Europees. Mens, samenleving en milieu komen er wel door tot hun recht.

Misschien maakt Van den Brink het zich daarbij soms wat gemakkelijk. Hoe terecht ook, echt continentaal is zijn kritiek niet. Ook beroemde Engelse economen als Colin Crouch en Paul Collier mopperden het afgelopen decennium al over het gebrek aan gemeenschap in het neoliberalisme. Belangrijker misschien is dat de Rabobank regelmatig miljoenenboetes aftikt wegens fraude en dat de corporatieve structuur in de landbouw bijdraagt aan zwaar gesubsidieerde vervuiling. Het model kent gebreken. Stel dat iedere multinational belasting betaalde, in plaats van via Guernsey grootaandeelhouders te verrijken? Of dat kip en kalf hun laatste rustplaats in de supermarkt vinden met doorberekening van leed en stank? Een mensbeeld is goed, maar misschien tem je ondernemers beter met het prijsmechanisme.

Toch lezen hoor. Van den Brink vlecht ter illustratie van hoe Nederland veranderde zijn eigen biografie door de tekst. Over een jonge katholiek die eventjes marxist werd om daarna de strijd voor de gemeenschap voort te zetten als filosoof. Over hoe hij kijkt naar het traditionele huwelijk van zijn ouders (prima) en het moderne huwelijk van zijn vrienden (mislukt). Over hoe de bijles Grieks bij de pater op schoot eindigt (wat zou het?). Of over de verbazing van zijn zoons dat Van den Brink begin jaren tachtig een uitkering ‘neemt’. Dat maakt van het boek een heel mooi tijdsdocument.

Bert de Vries is econoom. Hij vraagt zich af of het beleid ons met de huidige crisis heeft opgezadeld. Hadden we ook andere keuzes kunnen maken?

Ja, zegt De Vries, en dat had ook gemoeten. Het kapitalisme heeft zijn eigen dynamiek, je kunt er nooit helemaal de baas over worden. Maar er zijn te veel bevoegdheden overgedragen aan internationale instellingen, waar de burger geen stem in heeft. Clubs als de Europese Unie, de Wereldhandelsorganisatie en het Internationaal Monetair Fonds hebben de samenleving blootgesteld aan harde competitie, met grote contrasten tussen winnaars en verliezers tot gevolg. Nationale regeringen worden nu afgerekend op internationale besluiten, waardoor zowel linkse als rechtse populisten het beleid gijzelen.

Gedegen

In zijn gedegen bespreking van de geschiedenis van het economisch denken onttovert De Vries de ‘economische wetenschap’. Zoals de Bijbel waar is voor gelovigen, zo denken economen dat wiskunde gelijk heeft. Neoliberale dogma’s, zoals dat bonussen tot topprestaties leiden, dat iedereen profiteert van vrijhandel, dat een hoge staatsschuld de groei remt, die móeten wel kloppen, met al die formules. Maar de dogma’s kloppen hooguit als een zere vinger: de sommetjes verstoppen het platte mensbeeld dat de uitkomsten bepaalt.

De Vries legt deze verwevenheid van ideologie en analyse met zichtbaar plezier uit, met een nogal uitgebreide tekst, misschien eerder geschikt voor het onderwijs dan voor de strandstoel. Hij doet dat aan de hand van de transitie van Keynesiaanse naar neoliberale politiek in Amerika en Europa. De inmiddels overbekende conclusie: deregulering creëert geen vrije markt, maar ‘een kleine, zeer vermogende marktelite’. Een hele kleine top gebruikt de gewonnen invloed om geld met geld te maken. Gewone mensen leverden macht in en kregen er goedkope spulletjes uit China voor terug.

Lees ook: Bert de Vries: superkapitalisme vergt extreem harde correcties

Door zijn kritiek te bouwen op het werk van progressieve economen als Maria Mazuccato, Dani Rodrik en Thomas Piketty zal De Vries geen applaus krijgen van het CDA. Maar daar nam hij toch al afstand van toen die partij in 2010 de eerste keer met de populisten in zee ging. Zijn eigen draai aan de globaliseringskritiek geeft hij via twee oplossingen.

Het politieke kapitaal dat we in de muntunie hebben gestoken rendeert niet, concludeert De Vries. De euro kan prima als munt tussen banken fungeren, maar de nationale valuta moeten terugkeren om te voorkomen dat de meningsverschillen over begrotingsnormen exploderen. Pech voor beleggers, pech ook voor de zwakke lidstaten die hun rente zien stijgen, maar de kiezer is weer de baas.

Bovendien hebben we een publiek geldstelsel nodig, zegt de Vries de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid na. Er is sinds 2008 alleen marginaal gesleuteld aan het financiële systeem. Nog altijd geldt het principe dat winst naar aandeelhouders gaat, maar risico’s door de belastingbetaler worden gedragen. Zie Booking.com. Dat moet anders. Geef de centrale bank het recht geld te scheppen, en laat particuliere banken alleen klussen met krediet als ze de tegenwaarde ook daadwerkelijk in huis hebben. Op die manier is het eenvoudiger de verliezers van de kapitalistische economie – mensen met geen of slecht betaald werk – te compenseren.

Zowel De Vries als Van den Brink wil om de kapitalistische dynamiek in te dammen afrekenen met internationale ambities. Een criticus kan zeggen dat ze daarmee nuttige idioten in dienst van populisten worden. Europa staat al zo onder druk en dan komt het gepensioneerde midden ook nog eens vertellen dat het minder moet. Maar wie kwaadwillend lezen door opportunisten wil voorkomen moet de drukpers verbieden. Beide auteurs verwachten van alles van de Europese Unie, of dat nu het herstel van het mensbeeld in de politiek betreft zoals Van den Brink nodig vindt, of bijvoorbeeld de ‘aanzienlijke verhoging van het toptarief in de erfbelasting’ waar De Vries voor pleit. Ze zullen zeggen: we willen een ander soort internationalisme. Misschien begint de revolutie dit keer in Bloemendaal.