Signalen van economisch herstel? Pas op voor de valse dageraad

Wereldeconomie De beurzen doen het goed, sommige economische cijfers wijzen omhoog. Maar veel signalen van een herstel zijn nog erg onbetrouwbaar.

Illustratie Roland Blokhuizen

Licht gloort weer: overal in Europa, en in een flink deel van de rest van de wereld, worden deze dagen de coronabeperkingen voor een deel opgeheven. De burger steekt zijn neus buiten de deur, de terrasjes lopen vol en ondernemers krijgen een sprankje hoop. Voorzichtig wordt weer aan vakantie gedacht.

Ook op de beurzen leeft het optimisme op. De zwartste dagen van de pandemie lijken daar al achter de rug. De belangrijkste vooruitlopende economische indicatoren wijzen omhoog, de aandelenkoersen hebben een flink deel van hun coronaverliezen goedgemaakt. En de prijs van ruwe olie, die vraag en aanbod van energie weerspiegelt, wijst na een diep dal weer naar boven.

Tegelijkertijd zijn en blijven de macro-economische voorspellingen duister. Christine Lagarde, president van de Europese Centrale Bank, zei deze week nog dat de prognoses voor de landen van de eurozone best eens verder kunnen verslechteren. Van een verwachte economische krimp tussen 5 en 12 procent zou het kunnen komen tot een krimp van 8 tot 12 procent. Dat betekent dat het minst erge scenario van de ECB inmiddels is gesneuveld. Alleen erg en heel erg zijn nog over. Aanstaande donderdag publiceert de ECB haar nieuwe ramingen, die Lagardes uitlatingen ongetwijfeld weerspiegelen.

Bedrijven maken zich zorgen dat de échte klap nog komen moet, in de tweede helft van dit jaar

En de ECB is de enige niet. De OESO, het Internationaal Monetair Fonds en tal van banken en denktanks lijken het erover eens dat de enorme recessie waarin de wereld zich bevindt diep is, en voorlopig niet over. Bedrijven, zoals Nederlands industriële trots VDL, maken zich zorgen dat de échte klap nog moet komen, in de tweede helft van dit jaar. En afgelopen woensdag kwam de Europese Commissie met het idee voor een langdurig herstelplan van 750 miljard euro – de helft meer dan het bedrag in het Frans-Duitse plan dat tot dan toe circuleerde.

Zo gaapt dus een kloof tussen de opluchting op de korte termijn – die op beurzen en andere financiële markten – en de zorgen op de lange termijn – die van de economische modellen en bedrijfsstrategieën. Maar aan veel optimistische indicatoren zit een luchtje.

Op dit moment is er veel aandacht voor de zogenoemde purchasing managers indices (PMI’s). Dat zijn van oorsprong Amerikaanse enquêtes onder inkoopmanagers die nu wereldwijd, in verschillende varianten worden bijgehouden. Een PMI van boven de 50 betekent groei, onder de 50 krimp.

Lees ook hoe de strategieën van grote bedrijven veranderen door de pandemie: In het bedrijfsleven spoelt de coronacrisis de toekomst vooruit

Extreme omstandigheden

China’s PMI voor de industrie zakte in februari volledig in elkaar, van 50 in januari naar de recordlaagte van 35,7. Maar in maart was hij terug op 52, en in april was hij 50,8. Volgende week wordt het nieuwe cijfer over mei verwacht, wederom iets boven de 50. Maar het hoeft niet te betekenen dat China alweer terug is op het peil van voor het virus.

PMI’s zeggen niets over het niveau van de economische activiteit, alleen iets over de richting van de verwachtingen daarover. Dat is onder normale omstandigheden niet zo erg, en het valt ook niet op. „Er is veel vertrouwen in die indicator. Maar op extreme omstandigheden als de coronacrisis is die arme PMI eigenlijk helemaal niet berekend”, zegt econoom Bert Colijn van ING.

Bekijk het zo: als iets eerst met 50 procent daalt en vervolgens met 50 procent stijgt, lijkt alles weer wel. Maar in feite staat het dan 25 procent lager dan voorheen.

Die bijsluiter geldt ook voor de PMI van de westerse industrielanden. Die zakte voor de hele eurozone in april naar een onwaarschijnlijk lage 13,6 en veerde daarna op naar 30,5. Dat lijkt heel wat. Maar zelfs als de indicator over juni boven de 50 uit zou komen, zijn dat slechts de eerste stapjes op de ladder omhoog van iemand die zojuist in een diepe put gevallen is.

Illustratief voor de werkelijke malaise is de index van het economische sentiment (ESI) van de Europese Commissie voor de eurozone. Die vertrouwensindex heeft een historisch gemiddelde van 100, stond in maart op 94,2, dook in april naar de recordlaagte van 64,9 en herstelde in mei nauwelijks, op 67,5.

Bron van hoop

Een bron van hoop is de prijs van ruwe olie. Hoe sterker het herstel, hoe meer er weer gevaren, gevlogen en gereden wordt.

De olieprijs kelderde aanvankelijk – van 60 dollar voor een vat Brent eind februari tot nog maar 20 dollar eind april – maar is inmiddels alweer 35 dollar. Een ongekende vraaguitval, met bijna een derde van het normale verbruik, was volgens het Internationaal Energie Agentschap de belangrijkste oorzaak. Een acuut gebrek aan plaatselijke opslagcapaciteit in de VS veroorzaakte in april heel even een negatieve olieprijs.

Het herstel, deze week, naar 35 dollar is gunstig. Maar de aanvankelijke prijsval werd helemaal niet veroorzaakt door het virus. Die kwam door een ruzie tussen Saoedi-Arabië en Rusland over productiebeperkingen om de prijs te blijven stutten. Toen overleg daarover stukliep, draaiden de Saoediërs uit woede de kraan wijd open. Daarná sloeg ook nog eens het virus toe.

Het recente herstel van de olieprijs kan dus te maken hebben met economisch optimisme. Maar het is ook terug te voeren op nieuwe afspraken tussen de olielanden over de productie, waar iedereen zich ditmaal wél aan houdt. Rusland zei deze week zelfs méér te doen dan was afgesproken. Prompt steeg de olieprijs verder.

En de aandelenbeurzen? De AEX-index piekte op 19 februari op bijna 630 punten, kwam half maart onder de 400 punten terecht, maar bereikte deze week al weer 538 punten: het hoogste niveau sinds de coronacrisis begon. Amerikaanse beurzen doen het zelfs nog beter. De S&P-index, die eerst met 34 procent kelderde, staat nu nog maar 10 procent onder zijn record van bijna 3.400 punten van 19 februari. Ten opzichte van begin dit jaar staan op Wall Street de koersen nog geen 6 procent lager. Dat is bijzonder, tijdens wat de ergste recessie sinds de Grote Depressie van de jaren dertig heet te zijn.

Verse beleggers

Dat de aandelenkoersen zich zo goed houden kan natuurlijk weerspiegelen dat het met het bedrijfsleven niet zo slecht gaat als lijkt. Maar het kan evengoed liggen aan een stijgende vraag naar aandelen, die de koersen blind opdrijft. Er is sprake van een enorme toestroom van beleggers. Volgens Het Financieele Dagblad kunnen online brokers, waarbij particulieren beleggen, de toestroom van nieuwe klanten nauwelijks aan. Alleen al bij DeGiro meldden zich dit jaar 160.000 verse beleggers.

Dat sluit weer aan bij een enquête die De Nederlandsche Bank liet uitvoeren. Daarin zeiden Nederlanders dat zij, als zij onverwacht 1.000 euro zouden krijgen, daar de helft van zouden sparen. Wereldwijd is de baanzekerheid zodanig afgenomen dat mensen buffers zijn gaan aanleggen. Aangezien een spaarrekening geen rente oplevert, vloeit dat geld al snel naar de beurs.

Voor professionele beleggers geldt, in het groot, hetzelfde. Vastgoed is op dit moment onzeker. Obligaties geven negatieve rentes, of zijn duur en toch erg riskant. Cash kost geld. Zodat alleen aandelen overblijven als bestemming. De beurskoersen gaan dus óf omhoog uit optimisme, of ze stijgen juist uit wanhoop omdat er geen alternatief is.

Is er dan géén reden tot optimisme? Econoom en Nobelprijswinnaar Paul Krugman zei deze week tegen financieel persbureau Bloomberg iets opmerkelijks. De bestaande economische modellen zijn eigenlijk helemaal niet berekend op een recessie als deze, aldus Krugman. Wat we volgens hem doormaken, is geen standaardconjunctuur, maar een stilstand die niet door economische krachten is veroorzaakt. „We hebben voor een deel van de economie zowel de vraag als het aanbod gesloten, omdat we denken dat contact het virus verspreidt. Dat betekent dat we niet de standaard macro-economische modellen kunnen gebruiken.”

Krugman denkt dat de huidige recessie het meeste lijkt op die van 1979-1982 – toen het gevolg van het krappe geldbeleid in de VS – en relatief snel kan leiden tot herstel. Maar veel hangt, ook in zijn theorie, af van het virus zelf. En zo komt alles toch terug bij het verloop van de infectie, de snelheid waarmee (en óf) een vaccin wordt ontwikkeld en andere zaken die met economie weinig, en met biologie alles, te maken hebben.

Tot dat moment mag elk glimpje licht worden gevierd. Maar die nieuwe dageraad lijkt toch nog erg ver weg.