Op een gletsjer leven muizen van mos

Biologie Gletsjers zijn geen steriele milieus. Er is wel degelijk leven. Zoals de zeldzame gletsjermuizen: reizende bolletjes van mos.

De gemiddelde snelheid van mosballen varieert gedurende het seizoen, ontdekten de biologen.
De gemiddelde snelheid van mosballen varieert gedurende het seizoen, ontdekten de biologen. Foto Carsten ten Brink

‘Gletsjermuizen’ worden ze ook wel genoemd: de ovale mosbolletjes die op gletsjers kunnen ontstaan rondom een kern van steengruis of organisch materiaal. Amerikaanse biologen hebben nu ontdekt dat de mosbollen jaren meegaan, en zo’n 2,5 centimeter per dag kunnen afleggen, schrijven ze in Polar Biology. Die informatie is interessant omdat het mos op het gletsjerijs een belangrijke habitat kan vormen voor kleine, ongewervelde dieren zoals springstaarten, en zo bijdraagt aan de biodiversiteit.

Gletsjers zijn lang beschouwd als steriele milieus, oninteressant vanuit het oogpunt van soortenrijkdom. Maar in de afgelopen jaren is steeds meer onderzoek gedaan naar micro-organismen in en op het ijs, die leven van door de wind aangevoerde voedingsstoffen – bijvoorbeeld mineralen uit steengruis of kleine fragmenten organisch materiaal.

Kleine ongewervelden

Stofdeeltjes kunnen de lokale smelt ook bevorderen en zodoende beschutte ‘biodiversiteitshotspots’ vormen waarin kleine ongewervelden leven. En daarnaast vormen ze dus een goede basis voor mosaangroei en zodoende voor gletsjermuizen.

Hoewel het ontstaan van de ronde moskussentjes een relatief zeldzaam fenomeen is, is uit eerder onderzoek op verschillende gletsjers (in Alaska, IJsland, Venezuela en Spitsbergen) al wel bekend dat verschillende mossoorten tot de formatie van muizen kunnen leiden, en dat de balletjes een onderkomen bieden aan onder andere springstaarten en nematoden (rondwormen).

Maar over de verplaatsing van die gletsjermuizen was nog vrijwel niets bekend. Daarom besloten de Amerikaanse biologen tot een vierjarig onderzoek op de Root Glacier in het zuiden van Alaska. Onderzoek vond altijd in de zomer plaats, zodat het gletsjerijs vrij was van versgevallen sneeuw.

In het eerste jaar voorzagen de onderzoekers dertig mosballen (met een doorsnede van zo’n 10 centimeter) van een ‘kralenarmbandje’ – elke bal had zijn eigen codering van gekleurde kraaltjes, die met een aluminium draadje stevig in het mos werden gesnoerd zodat ze de beweging van het balletje niet zouden belemmeren.

Met behulp van pvc-buizen in het gletsjerijs konden de onderzoekers relatieve beweging van de mosmuizen meten. Aan de buislengte boven het ijs konden ze bovendien aflezen hoe snel het ijs smolt in de opeenvolgende jaren – mogelijk zou die smelt kunnen samenhangen met de beweging van de balletjes, vermoedden ze.

De biologen ontdekten dat de gemiddelde snelheid van mosballen varieert gedurende het seizoen. Aan het begin van de zomer bedraagt de snelheid 1,8 centimeter per dag, en loopt dan op tot 4 centimeter per dag begin juli. Aan het einde van de zomer is er sprake van een afname tot 2 centimeter per dag. De hoogst gemeten snelheid bedroeg 7,8 centimeter op een dag.

Sokkelvorming speelt een rol

De gletsjermuizen bewogen ‘kuddegewijs’ in dezelfde richting, maar opvallend genoeg hingen die bewegingen niet samen met de overheersende windrichting of met een heuvelafwaartse richting. Aan het begin van de zomer vond de beweging hoofdzakelijk in zuidelijke en zuidoostelijke richting plaats, terwijl die later in het seizoen opschoof naar het westen. Vermoedelijk speelt ‘sokkelvorming’ een rol: onder de bal smelt het ijs minder snel weg, waardoor er langzaamaan een pilaar ontstaat. Na een tijdje valt de daarop balancerende bal ervan af, en rolt op zijn andere zijde, waarop het proces zich herhaalt.

Hoewel het gezegde luidt dat een rollende steen geen mos vergaart, lijkt dat in het geval van de gletsjermuizen niet zo te zijn. Bij een van de gemarkeerde mosballen was het mos zodanig gegroeid dat het armbandje nauwelijks nog zichtbaar was. Op sommige andere ballen was een laagje ‘vuil’ mos aanwezig: de gletsjermuis was over nat, fijnkorrelig sediment gerold en had zodoende een laagje gruis vergaard. Vermoedelijk groeit er op dat substraat vervolgens weer nieuw mos. Snel gaat de aangroei echter niet – het gaat hooguit om een paar millimeter per jaar. Mogelijk zit er ook een grens aan de groei, speculeren de onderzoekers, en worden mosballen van 10 centimeter doorsnee simpelweg niet veel groter meer.