Ministerie test corona-app regionaal

Corona-app Na een valse start werkt de overheid nu aan een corona-app die beter is doordacht. „Alles wat wij doen, wordt openbaar.”

Een bode maakt een tafel schoon tijdens een kamerdebat over de corona-app. Een betere app wordt nu voorbereid.
Een bode maakt een tafel schoon tijdens een kamerdebat over de corona-app. Een betere app wordt nu voorbereid. Foto SEM VAN DER WAL/ANP

Na de ‘appathon’ verdween de corona-app van de Nederlandse overheid snel van de publieke radar. Maar het werk stond intussen niet stil, vertelt Ron Roozendaal, directeur informatiebeleid van het ministerie van Volksgezondheid vrijdag in een gesprek met journalisten.

Twee conclusies trok Roozendaal na de appathon, het sluitstuk van een bekritiseerd selectieproces waarin zeven corona-apps de kans kregen zich in één weekend te verbeteren. Geen van de apps bleek te voldoen aan de eisen. Maar er werd wel van geleerd. „De app moet epidemiologisch veel sterker onderbouwd en onderzocht. De technologie moet opnieuw doordacht worden. Dat is wat we nu aan het doen zijn.”

Het idee van de ‘notificatie-app’, zoals het ministerie de corona-app tegenwoordig noemt, lijkt simpel. Veel Nederlanders gaan de app straks installeren. De app legt een anoniem logboek van recente contacten aan, door via bluetooth verbindingen met andere toestellen te registreren. Gebruikers die risicovol contact hadden met iemand waarbij later Covid-19 vastgesteld wordt, krijgen een waarschuwing: let op jezelf en neem contact op met de GGD bij klachten.

Betrouwbaarheid

Achter die eenvoud gaat een enorme complexiteit schuil. Want hoe weet de app welke contacten risicovol zijn en welke niet? Een half uur een treincoupé delen met een besmette persoon lijkt een gerede grond voor een waarschuwing, maar als het bluetooth-signaal ook de telefoon van je buurman door de muur heen detecteert, kan van een besmetting geen sprake zijn. Hoe kent de app dat onderscheid? Hoe gaan mensen reageren op een app die hun advies geeft, in plaats van een GGD-medewerker? Geeft de app geen gevoel van schijnveiligheid?

Het is op deze vragen - en meer - dat het ministerie nu antwoorden zoekt. De GGD werkte na de appathon een programma van eisen voor de app uit, er werd een begeleidingscommissie opgetuigd, met virologen, gedragswetenschappers en privacy- en informatie-experts. Een team experts van buiten de overheid werd aangetrokken om met IT’ers van binnen de overheid een eerste prototype van de applicatie publiekelijk (open source) te ontwikkelen. Roozendaal: „Alles wat wij doen, wordt openbaar.”

Sinds deze week staan de eerste schetsen van hoe de app er wellicht uit zal komen te zien op Github om bekritiseerd te worden. Vrijwilligers dragen actief bij, zegt app-ontwikkelaar Jelle Prins, die eerder voor taxi-app Uber werkte. „Er kwamen ontzettend veel enthousiaste reacties op, ik geloof dat er al meer dan 250 designers zich gemeld hebben.” De openheid moet het publiek meer vertrouwen geven dat de applicatie werkt en veilig is. Prins: „Een hoge adoptie is minstens zo belangrijk als de kwaliteit van de code en de ontwerpen.”

Het waarschuwingssysteem werkt beter als meer mensen meedoen. Zestig procent van de bevolking zou zo’n app moeten gebruiken, bleek uit simulatieonderzoek. Maar ook als minder mensen meedoen kan de app effectief zijn, zegt Roozendaal. Omdat het Nederlandse voorstel een aanvulling is op het reguliere bronnen- en contactonderzoek – de capaciteit wordt nu verhoogd – is iedere extra gedetecteerd risicogeval volgens hem winst. „Dat is uiteindelijk the proof in the pudding. Wat je met deze app probeert te doen, is mensen ontdekken die achteraf besmet blijken, maar die je in je reguliere onderzoek niet vond, omdat die contacten niet herinnerd werden.”

Onder de motorkap van de app ligt nieuwe software van Apple en Google, die sinds enkele weken alleen voor overheden beschikbaar is. Dat ‘exposure notification protocol’ zit zo in bijna alle telefoons en moet het in kaart brengen van de recente contacten betrouwbaarder maken.

Ook dat protocol gaat getest worden, zegt Roozendaal. De eerste programmacode die de ontwikkelaars vrij gaan geven, zal over die technische proeven gaan. Heel precies afstanden inschatten – waar grote twijfel over is – hoeft niet, zegt Roozendaal. „De vraag is of je nabijheid precies genoeg vast kan stellen om een zinvolle groep mensen te waarschuwen.”

Als de app niet werkt, zal hij er ook niet komen. „We zijn daar altijd open in geweest. Dit is ongekend. Niemand heeft dit ooit gedaan. Er is geen bewijs voor, maar alleen simulaties die er op wijzen dat het zou kunnen helpen.”

Het ministerie hoopt het technische onderzoek in de eerste helft van juni af te ronden. „Als er een muur tussen zit, wil je dat toch wel een beetje simpel kunnen detecteren”, zegt Roozendaal. Een regionaal experiment wordt momenteel voorbereid in samenwerking met epidemiologen. Dat staat gepland voor de tweede helft van juni. Pas daarna neemt het kabinet een besluit of en hoe de applicatie uitgerold gaat worden.