Recensie

Recensie Boeken

Kobalt, arseen en plaaggeesten

Boek

Alweer vier jaar geleden kregen de nieuwste chemische elementen hun naam van de Internationale Unie voor Zuivere en Toegepaste Scheikunde IUPAC. Nihonium, moscovium, tennesseium werden vernoemd naar de plekken waar ze in laboratoria werden gesynthetiseerd. En met oganesson (het zwaarste element tot nu toe) wordt een wetenschapper vereeuwigd, de Armeens-Russische natuurkundige Yuri Oganeson (1933).

Maar niet alle elementen in het periodiek systeem zijn zo rechttoe rechtaan aan hun naam gekomen. Scheikundige Peter Wothers laat in zijn boek Antimony, Gold and Jupiter’s Wolf zien hoe de ontdekkende mens de natuur begon te ontleden tot deze bouwstenen: atomen met kernen van eenzelfde aantal protonen.

De verhalen achter de elementen zeggen soms veel over de tijdsgeest en de stand van de wetenschap. Zo begint Wothers met hoe in de vijftiende eeuw een relatie werd gelegd tussen de weekdagen, de zeven hemellichamen (zon, maan, Mars, Mercurius, Jupiter, Venus en Saturnus) en eveneens zeven op dat moment bekende metalen: goud, zilver, koper, ijzer, tin, lood en kwik. In de loop van vele eeuwen ontwikkelden de namen die we nu gebruiken zich uit het Latijn, Grieks, Arabisch of andere taal.

Ook stammen namen soms af van een mythe: waarschijnlijk is ‘kobalt’ bijvoorbeeld afgeleid van het Duitse woord voor gnoom of geest. Het verhaal gaat dat Duitse mijnwerkers rond de vijftiende eeuw kobaltpigment moesten winnen uit een mineraal van onder meer kobalt en arseen. Omdat ze niet wisten waar de giftige arseengeur vandaan kwam, waanden ze zich geplaagd door geesten en ‘Kobolde’.

Gedetailleerd en grondig

Gedetailleerd en grondig illustreert Wothers de gedachtegangen van vroege wetenschappers. Veel bladzijden wijdt Wothers bijvoorbeeld aan de aanloop naar de ontdekking dat water kan worden opgesplitst in twee elementen – waterstof en zuurstof – en de chemische revolutie die dat teweegbracht. Aan de basis van de etymologie van deze twee elementen staat de flogistontheorie, begin achttiende eeuw geformuleerd door de Duitse scheikundige Georg Ernst Stahl. Deze theorie stelde dat elke brandbare stof flogiston bevatte: een geur-, kleur- en gewichtsloze substantie die tijdens verbranding de stof (gedeeltelijk) verliet en alleen as achterliet.

Het is even ploegen door alle experimenten waarbij stoffen werden verbrand, opgelost, verdampt en van elkaar gescheiden. Maar de vastberaden lezer wordt uiteindelijk beloont met het opmerkelijke weetje dat – met de wetenschap dat de flogistontheorie niet klopte – zuurstof eigenlijk waterstof had moeten heten, en andersom. De mate van detail maakt het enerzijds een zeer volledig boek, anderzijds haalt het de vaart eruit. Ook is behoorlijk wat achtergrondkennis in natuur- en scheikunde nodig. Antimony, Gold and Jupiter’s Wolf is daarmee vooral een knap geschreven wetenschappelijkhistorisch naslagwerk voor de liefhebber, kenner of vakidioot.