Ikke opschikke? Ja dáhag

Nu de wijde wereld even dichtzit, onderzoekt zijn heimwee naar de kleine ruimte. Aflevering 5.
Illustratie Rik van Schagen

Vroeger was het heel gewoon: je kwam ’s avonds in de herberg aan en deelde je bed met een ander. Hermann Hesse beschreef het nog in zijn boek Bodensee en Belcampo in zijn Zwerftochten.

Zelf heb ik het ook nog meegemaakt in zo’n Zwitserse berghut waar je met andere wandelaars naast elkaar lag als worstjes in de pan.

Ongewenste intimiteit? Welnee, dat was knús. Dat was me al aangeleerd in de Natuurvriendenhuizen van de rode familie. Zo’n vakantiereis was iets heel bijzonders, dat hield ook in dat je niet te veel ruimte opeiste. Er kon altijd nog wel iemand bij: dan schikte je toch gewoon een stukje op. Dat je daardoor steeds dichter op elkaar kwam te zitten, was alleen maar gezellig.

Voor dat soort verkneukeling had je speciale uitdrukkingen als: ‘Er gaan veel haringen in een ton’. En: ‘Veel makke schapen in een hok’. Nu is zo’n kreet als ‘allemaal even opschikken!’ bijna een oneerbaar voorstel. Alleen al dat ‘allemaal’ – wie zegt dat ik daarbij wil horen? En als ik opschik, en jij niet, ben ik een gekkie.

Ikke opschikke? Ja dáhag!

Voor het echte opschikken moet je tegenwoordig ver van huis. De ultieme vorm maakte ik mee op de Amazone. In Belém scheepten mijn dochter en ik ons in voor de zes dagen durende bootreis naar Manaus.

Voor de nacht hing ieder zijn hangmat op, naast, onder en boven elkaar, zonder een centimeter tussenruimte. Een spelonk in de ruimte is een paar uur lang je bed, een unieke combinatie van luchtigheid en geborgenheid.

Bedtijd. Mijn luchtbed hing erbij als een uitgeknepen bananenschil: er leek daar nauwelijks plaats voor een kwart van mij. Klimmen, zitten en languit liggen ging niet zonder rukken en trekken, en dus stoten tegen nabije anderen.

Intussen werd er even onbekommerd tegen mij aan gepord. Bij mijn voeteneind was een vader bezig zijn kindje te wiegen. Steeds kreeg mijn mat ook een duwtje, dat zich weer voortzette in de mat van de vrouw naast me, enzovoorts.

Hierbij vergeleken is zo’n berghut het summum van privacy. Je hebt er alleen met je naaste buren te maken en je plekje heeft een vaste ondergrond. Maar hier vind je, als je ’s nachts even opstaat, bij terugkomst je plaats vergaan. De ruimte die je innam, is toegevallen aan je buren en consecutief ten goede gekomen aan alle andere slapers, als de uitdijende kringen rond een steen die in het water wordt gegooid.

Het was nu zaak mijn levensruimte te heroveren, ik vreesde ernstige confrontaties met m’n buren. Maar al die menselijke rupsen in hun cocons gaven vanzelf een beetje mee, nooit maakte iemand stennis. Dat beurtschip op de Amazone was de hogeschool van het inschikken.