Verloren generatie? Na een aantal wanhopige jaren viel het allemaal wel mee

Verloren generatie Nu moeten starten op de arbeidsmarkt is niet makkelijk. Is de carrière van deze jongeren verloren? Mensen die jong waren in de crisis van de jaren tachtig vertellen: „Het heeft me ook assertiever gemaakt.”

Monique Koopman (boven) kwam na de Pabo in een invalpoule terecht. Maris Smits (onder) liet zich omscholen tot ict’er.
Monique Koopman (boven) kwam na de Pabo in een invalpoule terecht. Maris Smits (onder) liet zich omscholen tot ict’er.

Hoe hij en zijn vrouw het allemaal geregeld hebben – dat weet Jos Huizinga (65), wethouder ruimtelijke ordening (CDA) van Zwijndrecht, achteraf eigenlijk ook niet meer. In 1981 studeert hij af als sociaal geograaf aan de Rijksuniversiteit Groningen. Datzelfde jaar komt ook zijn eerste zoon. Maar tegelijk voelt hij hoe diep de recessie, die volgde op de oliecrisis van 1979, inmiddels is.

„Samen met nog zevenhonderdvijftig anderen solliciteerde ik voor docent aardrijkskunde. De moed zakte me meteen in de schoenen. Dit gaat hem niet worden Jos, dacht ik.”

Wat volgt zijn acht jaren vol losse baantjes, afgewisseld met de bijstand. Huizinga: „Aanmodderen.” Schrijven voor huis-aan-huisbladen – hoe langer de persberichten, hoe meer geld er is om van rond te komen. Dan weer eens een dag of twee in de week aan de slag bij de Tweede Kamerfractie van het CDA, zo doet hij tenminste ervaring en een netwerk op. Maar frustrerend is het wel. Want generatiegenoten die soms maar een jaar eerder waren gestart op de arbeidsmarkt, groeien ondertussen wel door naar betere banen.

In 1983 en 1985 krijgt hij nog twee kinderen – „we waren blij met iedereen die bijsprong.” Maar zoals hij zich de start van zijn volwassen leven ooit had voorgesteld, is het allerminst. En toch, als de markt eind jaren tachtig weer aantrekt, gaat het ineens snel. In 1989 krijgt Huizinga zijn eerste vaste baan, een jaar later kan hij al een huis kopen. Sindsdien heeft hij altijd in het openbaar bestuur gewerkt.

„Zo bezien ben ik nog best goed terecht gekomen”, lacht hij.

Bestaande scheidslijnen dieper

Hoe diep de huidige economische crisis wordt, weet nog niemand. Het Centraal Planbureau (CPB) schetste eind maart vier scenario’s – van 4,5 procent werkloosheid in het meest gunstige, tot 9,4 procent in het meest duistere scenario. Wél is zeker dat een crisis, hoe licht of zwaar ook, bestaande scheidslijnen op de arbeidsmarkt dieper maakt. Zij die op een flexibel contract werken, raken hun baan over het algemeen sneller kwijt dan werknemers met een vast contract. Kwetsbare groepen zonder netwerk zullen het nog moeilijker krijgen. En jongeren staan als eerst op straat.

Die laatste groep werd tijdens eerdere economische crises niet voor niets regelmatig een ‘verloren generatie’ genoemd. Juist zij hebben de flexibele banen – en vliegen er meteen uit. Of zijn al kansloos op het moment dat ze hun opleiding afronden. Ook nu kwamen in maart alleen al 7.500 jongeren van 15 tot 25 jaar in de WW terecht, een stijging van 185 procent ten opzichte van een maand ervoor, meldde uitkeringsinstantie UWV. In april kwamen daar nog eens 13.200 jongeren bij.

Lees ook: De coronacrisis is een ‘onvoorstelbare gamechanger’ voor de arbeidsmarkt

Maar hoelang heeft de generatie die nu op de arbeidsmarkt terechtkomt, of pas net begonnen was, eigenlijk nog last van zo’n rommelige start? Houden zij er permanente littekens aan over? En hoe terecht zou het zijn ook nu weer te spreken van een verloren generatie?

Echt weten doen we dat natuurlijk pas wanneer duidelijk is hoe diep de recessie wordt, die volgt op de coronacrisis. Toch heeft een vergelijking met vorige crises in dit geval best zin. Dan blijkt namelijk: voor de jonge generaties van toen viel het mee. Of tenminste, na een aantal wanhopige jaren viel het mee.

Zo liep de werkloosheid in de jaren tachtig op het hoogtepunt op tot ruim 10 procent, met 18 procent werkloosheid onder jongeren van vijftien tot vijfentwintig jaar, volgens het CBS. Toch wisten jongeren die initiële achterstand in de jaren negentig weer vrij vlug in te halen. Twintig jaar later waren zij zelfs helemaal niet meer vaker werkloos dan de generatie voor hen, zag Jan van Ours, nu hoogleraar toegepaste economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, in 2009.

Uit een recenter onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen uit 2014, over jongeren die tussen 1993 en 2011 op de arbeidsmarkt terechtkwamen, blijkt dat het negatieve effect van een slechte start na zo’n acht jaar arbeidsmarktervaring is verdwenen. Dat geldt voor de baankansen van zowel hoger- als lageropgeleiden. Na dertien jaar was er ook geen generatieverschil meer in baanniveau te ontdekken. De jeugdwerkloosheid liep in de onderzochte periode op tot zo’n 13 procent onder jongeren tussen de 15 en 24 jaar.

„Jongeren zijn inderdaad vaker en sneller werkloos in een crisis”, zegt Fabian Dekker, arbeidssocioloog van onderzoeksbureau SEOR, verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Maar juist omdat zij zo flexibel zijn, doen ze ook gemakkelijker werkervaring op. Trekt de arbeidsmarkt weer aan, dan zitten zij ook als eerste in de lift”, zegt Dekker. Sterker nog: de flexibilisering van de arbeidsmarkt helpt hen daarbij. Als zzp’er of op een tijdelijk contract kom je ergens immers gemakkelijker binnen.

Robert Dur, hoogleraar economie aan de Erasmus Universiteit, voegt daaraan toe dat ook het loon doorgaans een inhaalslag maakt. „In een gunstigere economische periode maakt het salaris een sprong”, zegt hij. In 2017 zag het CPB bijvoorbeeld dat hoogopgeleiden die afstudeerden in de recessie na de bankencrisis van 2008, in de hoogte van hun salaris slechts drie jaar lang achterliepen op jongeren die op een beter moment waren gestart op de arbeidsmarkt – vrouwen iets meer dan mannen.

Voor ouderen staan de statistieken er veel minder gunstig voor. Vijftigplussers raken in een crisis weliswaar minder snel werkloos, maar gebeurt dat wel, dan blijven zij ook veel langer zonder baan zitten. En daar hebben zij vaak nog tot aan het einde van hun carrière last van.

Psychische impact

Reddeloos ‘verloren’ of niet – dat de achterstand weer bijtrekt betekent natuurlijk niet dat de crisisjaren zelf een pretje zijn. Die kunnen psychisch wel degelijk impact hebben, en dat ijlt vaak iets langer na.

Zo beschrijft wethouder Jos Huizinga hoe hij in die periode van ‘aanmodderen’ leerde dat je het toch vooral zelf moet doen. „Er werd zo vaak tegen me gezegd: ‘We maken gewoon een baan voor je, Jos’, en dan was zoiets toch weer niet mogelijk.” Uiteindelijk heeft hij zelf een netwerk opgebouwd, is zelf gaan „leuren” tot hij de juist mensen tegenkwam. „Dat heeft me denk ik wel assertiever gemaakt.”

Monique Koopman (56), die in 1988 van de Pabo kwam, vertelt hoe zij en haar ex-man in een invalpoule voor docenten terechtkwamen. Elke ochtend wachtten ze samen op een telefoontje, of ze die dag ergens konden lesgeven. Soms konden ze ergens voor langere tijd als vaste invaller aan de slag – maar ook dat leverde soms frustratie op. Koopman: „Je slooft je uit, wordt alom gewaardeerd, maar moet er aan het einde van het schooljaar toch weer uit. Dat doet iets met je vertrouwen.”

Zelfs wanneer ze begin jaren negentig allebei een vaste baan weten te bemachtigen, blijft de angst om dat wat ze hebben weer los te laten. „Anderen zouden misschien sneller zeggen: ik heb het wel een keer gezien op deze school. Maar wij hebben nog heel lang gedacht: wat je eenmaal hebt, zet je niet zomaar op het spel. Voor ons zijn vastigheid en een goed inkomen heel lang veel belangrijker geweest dan voldoening uit het werk. Pas vanaf mijn vijftigste durfde ik het roer echt om te gooien.” Inmiddels werkt Koopman in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.

Lees ook: Amsterdams ‘banenloket’ moet werklozen aan baan helpen, nog voordat ze bijstand in stromen

Dat jongeren na zo’n indrukwekkende recessie anders tegen werk blijven aankijken, zag hoogleraar Robert Dur ook terug in Amerikaanse data. „Mensen die in een recessie op de arbeidsmarkt terechtkwamen, bleven inkomen belangrijker vinden dan zingeving – ook wanneer het economisch beter ging. Voor de mensen die in gunstigere tijden begonnen met werken, was dat juist andersom.”

Bovendien kan ook ‘uitstelgedrag’ een generatie nog lang tekenen, zegt arbeidssocioloog Fabian Dekker. Zo constateerde de Sociaal-Economische Raad vorig jaar dat jongeren belangrijke mijlpalen in hun leven, zoals kinderen krijgen of het verlaten van het ouderlijk huis, uitstellen wanneer hun baanzekerheid kleiner is. Dat is in een crisis natuurlijk al vaker het geval, maar dit mechanisme wordt óók nog eens versterkt door de flexibele arbeidsmarkt, zegt Dekker. „Hoe langer jongeren op een onzeker contract blijven hangen, hoe langer ze zulke beslissingen zullen uitstellen.”

Minder optimistisch

Wiemer Salverda, hoogleraar arbeidsmarkt en ongelijkheid aan de Universiteit van Amsterdam, is überhaupt minder optimistisch. Neemt de jeugdwerkloosheid na deze crisis de vorm van de jaren tachtig aan, dan kan dat alsnog een veel groter probleem zijn dan toen, zegt hij. „Simpelweg omdat er nu veel meer groepen zijn die om banen concurreren met jongeren.”

Zo werkten vrouwen in de jaren tachtig over het algemeen veel minder, en konden ouderen gemakkelijker met vroegpensioen. Daarnaast waren er veel riantere studiebeurzen, waardoor doorstuderen zonder enorme schulden te maken eenvoudiger was. Bovendien zou de situatie er op papier nu rooskleuriger uit kunnen zien dan hij in werkelijkheid is, zegt Salverda. „Deeltijdarbeid is sinds de jaren tachtig explosief gegroeid. En wie een baan heeft, is in de statistieken niet werkloos. Maar als dat nog lang ongewild een deeltijdbaan is – dan is dat achterstand.”

En daarbij, zegt Salverda; al haalt een generatie de achterstand uiteindelijk in, het verlies van de periode zónder werk en inkomen maken zij nooit meer goed. Is dat dan geen permanent litteken te noemen?

Het geeft aan hoe belangrijk het is om die periode van werkeloosheid zo kort mogelijk te houden. Omscholing, werkervaringsprojecten en startersbeurzen, om maar zo veel mogelijk mensen op de goede weg te helpen, zijn daarom wel degelijk zinvol, stelt ook het onderzoek van de Radboud Universiteit uit 2014. Zelfs al is de effectiviteit ervan soms beperkt.

Maris Smits liet zich omscholen tot ict’er.

Foto’s Olivier Middendorp

Zo bleek het voor Maris Smits (60) uit Woerden een uitkomst mee te kunnen doen aan ‘Pion’, een omscholingstraject dat hogeropgeleiden in de jaren tachtig opleidde tot ict-specialisten. In 1985 studeerde Smits af als historicus, aanvankelijk had hij de ambitie om in het onderwijs terecht te komen. Maar ook voor hem zat meer dan invallen er niet in. „Het was zinloos.” In de krant kwam Smits een advertentie voor Pion tegen, dat gaf hij een kans. „En tot mijn verbazing bleek ik er aanleg voor te hebben. Terwijl ik werkelijk in de veronderstelling was dat ik een alfa was.”

Uiteindelijk denkt Smits dat hij vooral mazzel heeft gehad. Hij heeft zijn hele leven in de ict gewerkt, in een periode dat die sector alleen maar groeide. Maar dat hij tóch doorzette heeft hem ook geholpen. „De eerste jaren waren vreselijk. Je ziet dat mensen om je heen zich ontwikkelen, terwijl jijzelf stilstaat. Maar juist doorgaan met de vakken waar ik tijdens mijn studie altijd tegenaan zat te hikken – dat werkte.”

Voor hoogleraar Robert Dur is het zelfs de belangrijkste opgave voor de komende tijd: zorgen dat jonge mensen weten waar nog wél banen te vinden zijn. Dur: „Er zijn vaak meer mogelijkheden dan je zelf kunt bedenken. Starters komen daar soms pas na maanden achter, en dat is zonde.”