Opinie

‘Virusdictatuur’

Dagboek Coronavirus

We gingen lunchen met Massimo bij Rossovino op Piazza Lavagna. Vroeger waren ze alleen open voor het diner, maar er zijn ’s avonds niet genoeg klanten meer om financieel te overleven, dus hebben ze het middaguur erbij genomen. We hadden nog niet besteld of Massimo raakte in paniek. Hij was zijn mondkapje vergeten. Hij ging er een lenen bij de eigenaar Marco. Ik vond het een beetje overdreven.

„Ze zien ons” fluisterde hij en hij wees drie gloednieuwe beveiligingscamera’s aan die onlangs op strategische punten op het plein waren geïnstalleerd. Het cement was nog nat.

„Noem het maar een politiestaat”, zei Marco. „En als hier vanavond een paar klanten een te leuke avond hebben en intiem worden, krijg ik een boete. Ze dwingen mij te openen, met alle risico’s van dien, omdat ze geen enkele vorm van economische steun geven, en ze schuiven de verantwoordelijkheid vervolgens op mij af. In plaats van erover na te denken hoe ze de economie weer op gang kunnen helpen, is hun urgentste zorg hoe ze het volk kunnen controleren.”

„Virusdictatuur”, zei Massimo.

„Fascisme zit Italianen in het bloed”, zei Stella.

„Tot op het lachwekkende af”, zei Massimo. „Hebben jullie dat bericht gelezen van die man in Nervi die naar de zee wilde op een punt waar dat niet mocht? Om de fascisten te slim af te zijn deed hij zich voor als een van hen. Hij beweerde dat hij een politieagent in burger was en dat hij moest controleren of er geen illegale badgasten waren. Dat is Italië.”

„Maar ze hebben hem gepakt.”

„Ja, toen kwam de echte politie. Ze hebben ook nog een huiszoeking bij hem gedaan, want de Italiaanse ordediensten overdrijven graag. En ze vonden een arsenaal verboden wapens, want ook Italianen die de wet overtreden houden ervan te overdrijven.”

Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer woont in Genua. Op deze plek schrijft hij over de impact die het coronavirus heeft op het leven daar.