Kijk hoe kunst en natuur elkaar versterken

Beeldentuinen Nu de musea dicht zijn, kijkt Wim Pijbes naar beelden in de buitenruimte. Deze keer: beelden doen het goed in het groen.

Maman van Louise Bourgeois bij Museum Voorlinden.
Maman van Louise Bourgeois bij Museum Voorlinden. Foto Louise Bourgeois © The Easton Foundation/VAGA at Artists Rights Society (ARS), NY/Pictoright, Amsterdam 2020

‘Het is een tuin in een tuin, een kunsttuin, zo men wil een anti-natuurtuin”, aldus directeur Rudi Oxenaar van het Kröller-Müller Museum tijdens de opening van de raadselachtige Jardin d’émail, in 1974. Het museum op de Hoge Veluwe beschikt over een van Europa’s grootste, en misschien wel mooiste, beeldentuinen. Met ruim 160 sculpturen van vrijwel alle beroemde beeldhouwers van de 20ste en 21ste eeuw, een aantal dat nog steeds stijgt, leest de collectie als een ABC van de moderne beeldhouwkunst.

Het had overigens weinig gescheeld of het idee van een beeldenpark in het bos was nooit gerealiseerd. Toen in 1959 directeur Bram Hammacher voor de zoveelste keer naar het ministerie in Den Haag toog om zijn plan te bevechten, had hij uiteindelijk gedreigd met aftreden als zijn idee geen groen licht zou krijgen. In juni 1961 opende uiteindelijk het beeldenpark, vanaf het eerste moment geliefd bij bezoekers van alle leeftijden.

’s Werelds meest iconische museale beeldentuin kwam een stuk sneller tot stand. In 1939 had Alfred H. Barr Jr. slechts een nacht nodig voor zijn idee en uitvoeringsplan van de sculpture garden voor het nieuwe Museum of Modern Art in New York. Deze groene oase temidden van de hoogbouw en het stadsgewoel van Manhattan zou veel musea in de wereld tot voorbeeld strekken. Ook de helaas verdwenen museumtuin van het Amsterdamse Stedelijk Museum.

Wie de huidige verstening van het voorplein aan het Museumplein ziet, het wanordelijke samenspel van plantenbakken, paaltjes, perkjes, supermarktemballage en fietsenstallingen, verlangt terug naar de smaakvolle museumzaal zonder wanden die hier ooit lag. Zou het geen idee zijn, bovendien de goedkoopste uitbreiding die ieder museum zich kan wensen, om hier de tegels te lichten en een grandioos ensemble te maken met de fameuze beeldencollectie van het Stedelijk? En maak van die Albert Heijn een ondergrondse fietsenkelder, klaar ben je.

Geschikt voor het anderhalvemetertijdperk

Beelden doen het goed in het groen. Er zijn prachtige voorbeelden door het hele land die dat laten zien. Ad Dekkers’ meditatieve Gebroken Cirkel in de tuin bij kasteel Wijlre bijvoorbeeld, of de onheilspellende grote spin, Maman van Louise Bourgeois, deze zomer bij Museum Voorlinden. En beeldentuinen zijn bij uitstek geschikt voor het anderhalvemetertijdperk: de tuinen van Museum de Fundatie in Heino, het Sprengerspark in Apeldoorn, de Piet Oudolftuin van het Singer-museum in Laren. Overal zie je hoe juist in combinatie kunst en natuur elkaar versterken.

Jardin d’émail van Jean Dubuffet bij het Kröller-Müller Museum.
Foto Marjon Gemmeke
Gebroken Cirkel van Ad Dekkers bij Buitenplaats Kasteel Wijlre.
Foto Ad Dekkers 1971
Links: Jardin d’émail van Jean Dubuffet bij het Kröller-Müller Museum.
Rechts: Gebroken Cirkel van Ad Dekkers bij Buitenplaats Kasteel Wijlre.

Foto’s Marjon Gemmeke/Ad Dekkers 1971

Daarin schuilt ook de kracht van de Jardin d’email zoals die door Jean Dubuffet ter plekke in Otterlo is gemaakt. Zeker nu deze enorme sculptuur van beton, glasvezel en epoxy recentelijk is gerestaureerd, valt op hoe het stralende wit afsteekt tegen zijn omgeving. De ongewone, spontane, haast chaotische vorm nodigt uit tot aanraken, tot spelen, tot languit liggen en langdurig verblijf. Volwassenen worden kind, kinderen worden ineens kunstliefhebber. En iedereen die het werk binnengaat, betreedt een onwerkelijke wereld, even bizar en abnormaal als dezer dagen de onze.