Opinie

Het leven dat zou beginnen

De jongeren die nu afstuderen of net een baan gaan zoeken worden hard getroffen door deze crisis. Hoge studieschulden, een kansloze arbeidsmarkt, geen bijbanen en binnenblijven in een tijd dat je ‘de echte wereld’ in zou stappen. Maar de Rotterdamse jongeren zijn opmerkelijk veerkrachtig, merkt Jonasz Dekkers. Hij ziet verbanden met Albert Camus, „de Rotterdamse filosoof bij uitstek.”

Illustratie Ank Swinkels

September deed me altijd denken aan dat ene nummer van Earth, Wind and Fire, maar nu kijk ik er enorm tegenop. Dan ben ik namelijk klaar met studeren en moet ik een baan vinden. Ik dacht altijd al dat dat een moeilijke opdracht zou gaan worden, maar in de absurde situatie waarin we ons nu bevinden is mijn doorgaans robuuste optimisme steeds meer aan het afbrokkelen. Het ‘echte’ leven zou gaan beginnen– en toen deed het dat niet.

Dat moeten meer lot- en leeftijdsgenoten zo ervaren, dacht ik: jongeren die deze zomer zouden afstuderen, die net afgestudeerd zijn, of die net een nieuwe baan hadden bemachtigd. Deze lichting studenten stapt loodzwaar van de schulden en zonder veel perspectief een lastig parket binnen: de huizenmarkt is voor ons een vage droom en de arbeidsmarkt een duidelijke nachtmerrie. Zeker nu. Daarbij is het de groep volwassenen die het minste risico loopt, maar een relatief groot offer brengt: thuisblijven, thuis studeren, thuiswerken. Het is de groep die leeft van geluid, van rumoer en van beweging, van de stad – maar nu is de stad al een hele tijd stil.

Als ik het gemoed peil onder deze groep mede-Rotterdammers begint zonder uitzondering elk gesprek met een zucht als antwoord op de vraag ‘hoe gaat het nou?’, gevolgd door een ‘tja… Waar zal ik eens beginnen?’. N. (24), masterstudent biofarmacie, stelde het schrijven van zijn scriptie noodgedwongen uit. „Ik studeerde altijd buiten de deur, maar dat kan nu niet. Ik studeer langzaam en weinig in mijn studentenhuis, online les is echt drie keer niks en ik heb geen toegang tot lab materiaal.”

Anderen kiezen er zelf voor om het afstuderen uit te stellen, omdat de arbeidsmarkt historisch slechte vooruitzichten biedt. Dat creëert echter een paradoxale situatie, want doorstuderen betekent ook langer lenen. Dat is vaak ook de reden van het uitstel, zo kunnen ze nog een paar maanden de huur betalen – ze betalen het heden met geld uit de toekomst .

In de schaduw van de opstand ontstaat er vertrouwen en solidariteit, wordt er hard gewerkt en weinig gezegd

B. (24), student filmwetenschappen, zou in september een fulltimecontract krijgen bij wat nu zijn bijbaantje is, zodat hij daarnaast zijn eigen filmprojecten zou kunnen uitvoeren. Maar toen werd zijn nieuwe functie een vraagteken, is de cultuursector ingestort, zijn de filmprojecten stil komen te liggen en heeft hij dus besloten zijn afstuderen uit te stellen. “Ik had een plan voor de komende drie jaar klaarliggen, maar opeens is de toekomst onzeker. Nu kan ik op de korte termijn in ieder geval de huur blijven betalen met die lening.” P. (24), student muziekwetenschappen, stort zich ook dieper in de schulden, omdat de korte termijn het voor even wint van de lange. Ze zegt dat het uitstellen door haar docenten soms zelfs wordt aangemoedigd; zij zien de arbeidsmogelijkheden voor jongvolwassenen blijkbaar net zo somber in.

Als je je echter al op de arbeidsmarkt begeeft is een studielening geen optie meer. E. (25) had net voor de maatregelen een vast contract gekregen in een horecazaak, waar hij ook nog eens een dikkere vinger in de pap zou krijgen qua programmering en invulling van de doordeweekse avonden. Voor nu zit hij dus nog even goed, maar het ‘nieuwe normaal’ is nog te bijzonder om een duidelijk toekomstbeeld te kunnen schetsen. Het solliciteren naar een nieuwe baan gaat nu lastig: T. (25) is in februari afgestudeerd, had sollicitaties lopen, maar die vacatures zijn allemaal ingetrokken. Hij krijgt geen WW-uitkering omdat hij daarvoor te kort heeft gewerkt en hij krijgt niet meteen een bijstandsuitkering, omdat hij onder de 27 jaar oud is met een diploma op zak. Hij heeft volgens de overheid in theorie nog goede vooruitzichten op een baan. Dan botst de theorie toch flink met de praktijk.

In de nabije toekomst van deze jongeren lijkt er meer reden tot wanhoop dan tot hoop. Toch is dat helemaal niet wat ze laten blijken, in tegendeel: de vertraging van N. wordt ontvangen door het ophalen van de schouders en “ik zie wel wat er gebeurt, het komt wel goed”; B. schrijft zich deze week in bij de KvK als onafhankelijk filmmaker, want “die crisis doet toch wat met je creativiteit”; P.’s latere afstuderen neemt een flinke hap uit haar toekomstbeeld, maar “ik heb plannen, heel andere dan eerst, maar nog steeds plannen. Je moet je maar aanpassen”; als T. geen baan kan vinden gaat hij de lerarenopleiding doen en E. noemt deze een periode een “langzame tijd” die kans biedt op reflectie: “je doet er niks aan, we zien wel waar het schip strandt. En als het niet strandt, dan zien we dat ook wel weer.”

Veel aan het piekeren? Besef waar je wel en geen controle over hebt

De verhalen van deze jonge Rotterdammers doen denken aan een werk van de filosoof Albert Camus. Volgens Camus, wiens roman De Pest (logischerwijs) nu weer op de bestsellerlijsten staat, is het leven absurd. ‘Het absurde’ is het besef dat het leven geen hogere of diepere betekenis heeft, terwijl we die wel zoeken. Je kunt met dit besef twee dingen: opgeven of doorgaan. Camus kiest voor doorgaan. Dit doorgaan is voor hem een leven dat gekenmerkt wordt door een dagelijkse opstand tegen het absurde. Daarom duidt Camus’ andere bekende werk, Mens in Opstand, de situatie van deze jonge Rotterdammers misschien wel nog beter dan De Pest. We begeven ons in de meest absurde situatie die de meesten van ons ooit hebben meegemaakt; het virus is willekeurig en onvoorspelbaar, er zit geen betekenis achter, maar het houdt wel degelijk flink huis in onze toekomstplannen.

En toch gaan we door. We rebelleren tegen het absurde van de coronacrisis door simpelweg niet bij de pakken neer te zitten en elkaar in de gaten te houden. Want wanneer ik niet bij de pakken neerzit, doen anderen dat ook niet; ‘ik kom in opstand, dus wij bestaan’, is een beroemde uitspraak van Camus. In de schaduw van de opstand ontstaat vertrouwen en solidariteit, wordt er hard gewerkt en weinig gezegd. Eigenlijk is Camus de Rotterdamse filosoof bij uitstek; hij is de filosoof van niet opgeven maar doorgaan, van niet lullen maar poetsen. En dat is precies wat deze groep Rotterdammers doet. Het is nu nog te hopen dat we weer kunnen dansen in september.

politicoloog en student filosofie