Opinie

Geloven

Ellen Deckwitz

Gisteren ging ik wandelen met mijn neef (14) en halverwege het park stond hij opeens stil. „Ik geloof er niet meer in”, zei hij. „Waarin?” „Liefde.” „Is er iets gebeurd?”

„Nee”, zei hij, op een toon die suggereerde dat er dus wel iets was gebeurd. „Het is gewoon het idee van de liefde, dat slaat helemaal nergens op. Het is net een ideaal. Je kan het niet zien, dus hoe weet je of het bestaat?”

„Je kan het voelen.”

„Ja, maar hoe weet je of je jezelf niets wijsmaakt?”

„Dat weet je niet.”

„Dan is het met liefde dus gewoon net zoals met sommige ziektes, dat het alleen maar tussen je oren zit”, zei hij met de stelligheid van iemand die ieder moment in huilen uit kon barsten.

We wandelden verder en de stilte dijde uit. Ik durfde niet door te vragen, dat is het lastige met pubers, die moeten met hun verdriet naar jóú toekomen, dat kan je er niet uit trekken. We passeerden wat stelletjes, de neef gromde iets over anderhalvemeteren. Tot overmaat van ramp vlogen er ook nog eens twee witte zwanen over.

Terwijl ik mezelf gerust probeerde te stellen met het besef dat niet geloven in liefde ook maar een fase is (net zoals er wél in geloven), dacht ik terug aan het moment dat ik hem moest vertellen dat Sinterklaas niet bestond (een taak die zijn moeder om zeer onduidelijke redenen aan mij had uitbesteed). Hij was negen en zijn oudere neven en nichten begonnen grapjes te maken over zijn onwetendheid. Mijn zus wilde hem verdere vernedering besparen.

‘Maar waarom zeiden jullie dan allemaal dat hij wél bestond?”, vroeg hij na afloop met vochtige ogen. Tja, dat wist ik zelf ook niet. Geloof maakt alles makkelijker, tot je begint te twijfelen.

De neef schopte tegen een leeg blikje. Ik wilde hem zeggen dat liefde wel bestond, maar dat ze lijkt op met vakantie gaan. De verwachtingen worden nooit helemaal ingelost, net zoals dat je onderweg dingen zal tegenkomen die je stoutste dromen – en nachtmerries – overtreffen.

„Het is oké”, zei hij vanuit het niets, „als de liefde niet bestaat. En dat we toch maar doen alsof het wel zo is. Dan hebben we tenminste altijd iets om naar uit te zien. Hoop doet leven, enzo.”

De rest van onze tocht probeerde ik argumenten te bedenken waarom hij het niet moest opgeven. Pas toen ik weer thuis was, bedacht ik wat ik tegen hem had moeten zeggen: dat liefde juist wel bestond, omdat ik zo radeloos was door zijn verdriet.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.