Opinie

De lerarenlobby tegen het openen van scholen is gênant

Onderwijsblog Dat middelbare scholen dinsdag nog niet volledig opengaan, komt door politieke druk van lerarenorganisaties, schrijft Karin den Heijer. „Als leraren vakkenvullers waren geweest, waren we nu verhongerd.”
Voorbereidingen op het Haags Montessori Lyceum in aanloop naar de heropening op 2 juni.
Voorbereidingen op het Haags Montessori Lyceum in aanloop naar de heropening op 2 juni. Foto Phil Nijhuis/ANP

Als de horeca op 1 juni weer opengaat, mogen twee mensen aan een tafel zitten op minder dan anderhalve meter afstand van elkaar, ook als ze geen huishouden vormen. Ook scholen in het voortgezet onderwijs gaan weer open, maar hier moet iedereen anderhalve meter afstand van elkaar bewaren. We zitten nu dus in de bizarre situatie dat de coronaregels op scholen strenger zijn dan in cafés, waardoor fatsoenlijk onderwijs onmogelijk is.

Hoe is het zover gekomen? Zijn scholen in het voortgezet onderwijs gevaarlijker dan cafés? Vinden wij cafébezoek misschien belangrijker dan het onderwijzen van onze kinderen? Nee. Ondernemers gaan failliet als hun zaak dicht blijft, leraren niet. Het is makkelijk om bang te zijn als je de prijs niet hoeft te betalen. Bang zijn omdat het kan. Maar het sluiten van scholen is niet gratis. Kinderen uit sociaal zwakke milieus, eenzame kinderen, kinderen in onveilige thuissituaties, leerlingen dus, díe betalen hier de prijs.

Ik schaam me diep voor de lerarenorganisaties en schoolleiders die politieke druk hebben gecreëerd om de scholen te sluiten. Als leraren vakkenvullers waren geweest, waren wij nu verhongerd. Het RIVM en het OMT adviseerden op 12 maart op grond van hun statistische modellen de scholen open te houden (pdf), omdat sluiten nauwelijks iets bij zou dragen aan de vertraging van de pandemie. Sluiting zou een grote impact hebben op vitale maatschappelijke processen. Invloedrijke leraren dachten dat ze het beter wisten.

Lees ook: Alleen de jongsten terug naar normaal

Crisismanagement

Maar al die mensen die beter denken te weten dan het OMT hebben geen flauw benul hoe het eraan toegaat in crisisteams. Ze geloven dat de ideeën die zij zelf bedenken, nog niet door de experts zijn bedacht. Ze denken dat het RIVM een bepaald artikel in de New York Times niet heeft gelezen. Dat ze daar geen Nieuwsuur kijken.

Vanuit mijn vakgebied weet ik een en ander van veiligheidskunde en crisismanagement. Beslissingen maken op grond van onzekerheden is een vakgebied apart. Zo is er bijvoorbeeld de formule: risico = kans x effect. In de chemische industrie is deze formule erg belangrijk. Deze formule geeft aan dat je zowel moet kijken naar de kans op een gebeurtenis als het effect van ervan. Dit geeft soms een tegenintuïtief resultaat. Zo is het krijgen van griep dan gevaarlijker dan een vliegreis.

Daarnaast hebben veel maatregelen om een risico te verminderen, ook vervelende neveneffecten. Zo beschermt een afgesloten deur naar de cockpit in een vliegtuig tegen een terroristische aanslag, maar niet tegen een depressieve piloot. Maatregelen tijdens de coronacrisis helpen tegen de verspreiding van het virus, maar verhogen het risico op armoede, depressie en huiselijk geweld. Beslissingen nemen in een crisisteam is geen sinecure.

Helaas verwarren velen crisismanagement met harteloosheid. Ik heb veel vijandigheid over me heen gekregen toen ik beweerde dat we naar de adviezen van het RIVM en het OMT moesten luisteren. „Jij werkt niet in Brabant. Het komt vanzelf naar je toe”, tweette een collega me. „Karin is een beetje de weg kwijt”, schreef een andere leraar. De weg kwijt, omdat ik een kennisinstituut vertrouw.

Inmiddels wijst alles erop dat wat het RIVM in maart inschatte, inderdaad klopt: het gevaar komt niet van de scholen. De anderhalvemetermaatregel in het voortgezet onderwijs staat in het laatste advies van het OMT en vloeit voort uit de inmiddels ontstane situatie. Dit terwijl er geen signalen zijn dat sinds het openen van basisscholen de verspreiding van het virus is toegenomen. Ik begrijp deze voorzichtige stap wel: de weg terug is moeilijk.

Tendentieuze peiling

Intussen hield de de grootste onderwijsbond, de AOb, nog even snel een peiling (pdf) onder hun leden in basisonderwijs, over het volledig openen van de scholen: wat ze ‘hiervan vinden’. Deze aanpak is onwetenschappelijk en neigt naar angstzaaierij. De niet-representatieve resultaten werden deze week tendentieus aangeboden: „Leraren en ondersteuners op basisscholen hebben grote twijfels bij het kabinetsbesluit om de scholen vanaf 8 juni volledig te openen.” Het werd gretig overgenomen in de media.

Wat mij betreft had de AOb hun leden mogen vragen: „Wat vindt u ervan dat er in april meer dan 5.000 kinderen uit beeld waren?” Ik heb hier namelijk zeker een mening over. Er zijn momenteel nog steeds grote zorgen om de veiligheid van 500 vermiste kinderen.

Maandag mag ik op mijn school lesgeven aan slechts een derde van mijn leerlingen. Ik ervaar dit als het uitvoeren van een ritueel, dat in september wel voorbij zal zijn. Bij mij rijzen nu de volgende vragen. Geven functie, intelligentie en opleiding geen plicht, geen verantwoordelijkheid? Als lerarenorganisaties openlijk twijfelen aan kennis van experts, waar staan wij dan als kennismaatschappij?

Karin den Heijer is wiskundedocent op het Erasmiaans Gymnasium en de Hogeschool Rotterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.