Analyse

De teloorgang van de sociale woningbouw in Nederland

Architectuur De sociale woningbouw zit in het slop. Dat heeft ook gevolgen voor de architectuur. Jonge architecten krijgen minder kansen en voor experimenten is weinig ruimte.

Blok sociale woningen in de Persoonshaven,Rotterdam, ontworpen door Hans van der Heijden
Blok sociale woningen in de Persoonshaven,Rotterdam, ontworpen door Hans van der Heijden Foto Sebastian van Damme

De teloorgang van de sociale woningbouw in Nederland is een aangekondigde ramp. Toen het kabinet-Rutte II in 2013 de verhuurdersheffing instelde, een belasting van nu ongeveer twee miljard euro per jaar voor eigenaren van huurwoningen, klonk ook in deze krant de voorspelling dat dit ten koste zou gaan van de wereldberoemde Nederlandse sociale woningbouw.. Deze voorspelling is uitgekomen: bouwden de woningbouwverenigingen in 2013 nog 30.000 sociale huurwoningen, in 2018 waren dit er nog maar zo’n 12.000. In totaal hebben de corporaties de afgelopen zeven jaar bijna 100.000 minder woningen gerealiseerd dan ze zonder extra belasting hadden kunnen bouwen. Omdat de woningbouwverenigingen, op sterk aandringen van de achtereenvolgende kabinetten-Rutte, de afgelopen jaren ook nog eens vele duizenden woningen hebben verkocht, daalde het totale aantal sociale-huurwoningen met 110.000 tot iets meer dan twee miljoen.

De traditie van excellente sociale woningbouw is in het slop geraakt

Acht jaar geleden presenteerde het kabinet-Rutte II de verhuurdersheffing als een tijdelijke crisismaatregel, bedoeld om het begrotingstekort te verkleinen. Maar tijdelijk bleek buitengewoon permanent: zelfs toen een meerderheid van de Tweede Kamer onlangs een motie aannam om de heffing af te schaffen, bleef de extra belasting op huurhuizen gehandhaafd.

De verhuurdersheffing was dan ook niet zozeer een crisismaatregel als wel het sluitstuk van de liberalisering van de Nederlandse woningmarkt in de afgelopen vijfentwintig jaar. De verhuurdersbelasting die de woningbouwverenigingen met hun omvangrijke woningbezit hard trof, was een goed vermomde, ideologische maatregel. Achterliggend idee van vooral VVD-bewindslieden als de toenmalige minister van Wonen en Rijksdienst Stef Blok was dat sociale-huurwoningen in het 21ste-eeuwse, geliberaliseerde Nederland niet meer nodig waren. De arbeiders, voor wie de sociale-huurwoningen oorspronkelijk werden gebouwd, hadden zich immers geëmancipeerd tot ondernemende zzp’ers, zo was hun neoliberale gedachte. Als ‘woonconsumenten’ konden deze ondernemers hun ‘woonbehoeften’ volmaakt bevredigen op de woningmarkt door bijvoorbeeld hun eigen huis te bouwen.

Vlak voor de invoering van de verhuurdersheffing stelde Carel Weeber, de architect die in 1997 als voorzitter van de Bond van Nederlandse architecten in deze krant het Wilde Wonen had gelanceerd, dan ook tevreden vast dat de tijd van de woningcorporaties en hun ‘staatsarchitectuur’ eindelijk voorbij was. Net als in alle andere westerse landen zou het nu ook in Nederland gewoon worden dat iedereen architect kan zijn en naar eigen inzicht een huis mag bouwen op een betaalbare kavel, zo voorspelde hij in 2012.

Maar van deze voorspelling is juist niets terechtgekomen, zo kan nu worden vastgesteld. Nog altijd is eigenbouw een marginaal verschijnsel, in Nederland goed voor slechts zo’n zeven procent van het jaarlijkse totale aantal nieuwbouwwoningen. Bovendien ligt het Wilde Wonen buiten bereik van de meerderheid van het immense leger zpp’ers en flexwerkers dat Nederland inmiddels op de been heeft gebracht. Velen van hen zijn namelijk geen ondernemers maar matig of slecht betaalde dagloners. En net als de arbeiders in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen de eerste woningbouwverenigingen werden opgericht omdat de markt ook toen al niet voorzag in betaalbare woningen, zijn de 21ste-eeuwse dagloners nu voor huisvesting vooral aangewezen op sociale-huurwoningen, zeker nu ze de eerste slachtoffers zijn van de grote economische neergang die volgt op de corona-crisis. In grote steden als Amsterdam, moeten ze daar nu een jaar of twaalf op wachten.

Jonge talenten

De teloorgang van de sociale woningbouw is niet alleen een van de oorzaken van de ‘woningnoodramp’ die Nederland teistert, maar heeft ook gevolgen voor de Nederlandse architectuur. Van oudsher zagen de woningbouwverenigingen het immers als hun taak om hun leden niet alleen een goede woning te verhuren, maar ook ‘cultureel te verheffen’. Daarom trokken ze vaak de beste en bekendste architecten aan om woningblokken te ontwerpen. Van H.P. Berlage tot Herman Hertzberger en van K.P.C. de Bazel tot Aldo van Eyck – vrijwel alle grote namen van de Nederlandse 20ste-eeuwse architectuur hebben sociale-huurwoningen gebouwd. Ook deinsden veel corporaties er niet voor terug om jonge, vernieuwende architecten een kans te geven.

‘Het Schip,’ sociale woningbouw uit 1920 in Amsterdam. Foto Berlinda van Dam / Hollandse Hoogte

Zo mocht de Amsterdamse-Schoolarchitect Michel de Klerk al op 29-jarige leeftijd het wereldberoemde Het Schip bouwen, een knotsgek arbeiderspaleis uit 1920 in de Spaarndammerbuurt in Amsterdam.

Ook Superdutch-architecten en hun generatiegenoten hadden aan het eind van de twintigste eeuw veel te danken aan de sociale woningbouw. Een van de eerste gebouwen waarmee bijvoorbeeld MVRDV in korte tijd wereldberoemd werd, was een woonzorgcomplex (WoZoCo) in Amsterdam Nieuw-West uit 1997 dat met zijn enorme uitkragende bakken nauwelijks minder spectaculair is dan Het Schip. Zelfs Rem Koolhaas, nog altijd Nederlands beroemdste architect, werd van zijn reputatie van ‘papieren architect’ verlost toen zijn bureau OMA veertig jaar geleden het IJplein mocht ontwerpen, een woonwijk in Amsterdam-Noord die oorspronkelijk volledig uit sociale-huurwoningen bestond.

Met de geleidelijke kneveling van de woningbouwverenigingen, die in 1995 begon met hun verzelfstandiging, is de typisch Nederlandse traditie van mooie, bijzondere of experimentele sociale woningbouw in het slop geraakt. Steeds zeldzamer wordt nieuwe excellente sociale architectuur als het door Hans van der Heijden ontworpen woningblok in de Persoonshaven in Rotterdam (zie inzet). En jonge, beginnende architecten hoeven, anders dan hun succesrijke voorgangers van de Superdutch-generatie, nu niet meer te rekenen op opdrachten van woningbouwverenigingen waarmee ze kunnen doorbreken.

Blok sociale woningen in de Persoonshaven,Rotterdam, ontworpen door Hans van der Heijden

Foto Sebastian van Damme

Daar komt bij dat de vernieuwende en stimulerende rol die de woningbouwverenigingen speelden in de 20ste-eeuwse Nederlandse architectuur niet is overgenomen door de projectontwikkelaars die nu al een kwarteeuw lang de bulk van de Nederlandse woningen bouwen. Op een enkele uitzondering als ERA Contour na kiezen commerciële bouwers onder druk van de markt voor de veilige weg van woningen in de jaren-dertigstijl of een andere gemakzuchtige retrostijl.

Zo zijn in Nederland niet alleen woningzoekende zzp’ers maar ook jonge Nederlandse architecten hard toe aan een renaissance van de sociale woningbouw. De coronacrisis biedt een mooie gelegenheid om die in gang te zetten. Want nu het kabinet Rutte III de crisis met tientallen miljarden euro’s steun aan het bedrijfsleven te lijf gaat en zich geen enkele zorg meer maakt over het oplopende begrotingstekort, kan, om te beginnen, de belasting op het verhuren van woningen gemakkelijk worden geschrapt.