Opinie

Aparteling

Marcel van Roosmalen

In de sprinter trof ik een dorpeling. We begroetten elkaar altijd wel, van harte ging dat nooit, maar dit keer sprong hij van enthousiasme zowat van zijn klapstoeltje om aan een praatje met mij te beginnen. Dat was al het derde spontane praatje in een week. Hoe vaker ik me in de media negatief uitlaat over ons dorp, hoe populairder ik er word. Ik moest denken aan wat mijn moeder voor haar dementie ooit zei over de hond op de boerderij van haar ouders.

Ze zei: „Astor was een lieve hond, hoe harder ons pap ’m schopte, hoe vaker hij zich kwispelend aan zijn voeten wierp.”

De man nam de laatste dorpsroddels met me door.

De bloemist had nog nooit zoveel bloemen verkocht als nu in coronatijd, de ruiten van de slagerij waren opgeblazen met vuurwerkbommen en daarbovenop had de politie bekendgemaakt dat een in Rotterdam ontvoerde vrouw was vastgehouden in een woning in Wormer.

„Vastgeketend aan de verwarming”, zei de man. „Dus dan kun je niet meer zeggen dat er in Wormer niets gebeurt. Het is dus geen saai dorp.”

Ik knikte.

Prima, geen saai dorp.

Daarna viel er een stilte die duurde tot station Zaandijk.

Toen we weer reden, schraapte hij zijn keel.

„En na 1 juni zet ik deze op.”

Hij trok een doek van onder zijn trui tevoorschijn, waarmee hij zijn neus en mond bedekte.

Ik keek nu naar het gebit van een skelet, het was een raar gezicht.

Ik zocht naar woorden. „Ja”, zei hij, „zo zie je er denk ik niet veel van mijn leeftijd. Ik ben een beetje atypisch, een beetje rebels. Mijn vrouw zegt dat ook. En weet je hoe mijn broers mij noemen? Aparteling.”

Ik dacht aan zijn vrouw die regelmatig ons huis passeerde. Dan weer joggend in een strakke broek, dan weer bepakt en bezakt alsof ze van plan was nooit meer terug te komen. Ik dacht ook aan zijn kinderen, waarvan er een bij mijn jongste dochter op de kinderopvang zit. „Wat voor werk doe je?”, vroeg ik.

„Iets met administratie.”

We stapten uit op station Wormerveer, zwijgend liepen we naar de overkapte fietsenstalling. Hij had als eerste de fiets van het slot.

„Nou tot de volgende keer maar weer!”, riep hij toen hij wegfietste.

Hij had nog steeds die doek voor zijn mond, ik denk dat hij wilde bewijzen dat we inderdaad niet in een saai dorp wonen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.