Zachte landing voor CO2-heffing

Klimaatakkoord Een nationale CO2-heffing voor de industrie moet vanaf 2021 een feit zijn. Maar de eerste jaren levert die nog bijna niets op.

Naast industriële producenten gaan ook afvalverbranders zoals AEB in Amsterdam onder de CO2-heffing vallen.
Naast industriële producenten gaan ook afvalverbranders zoals AEB in Amsterdam onder de CO2-heffing vallen. Foto John Schaffer/HH

Het was de grootste splijtzwam bij het overleg over het klimaatakkoord en volgens velen cruciaal voor het eindresultaat: een nieuwe belasting voor de industrie op de uitstoot van CO2. Tien maanden na sluiting van het Klimaatakkoord ligt het wetsvoorstel op tafel. Nu het gereed is – na lang rekenen, puzzelen en overleg achter de schermen – mag iedereen deze maand, tijdens de zogeheten consultatiefase, zijn zegje doen. Vanaf volgend jaar moet de nationale CO2-heffing een feit zijn.

Van grote opwinding over die heffing is anders dan vorig jaar geen sprake. En dat komt niet alleen door de coronacrisis. Minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) zorgde voor een zachte landing. De CO2-heffing zal, verklaarde hij onlangs in een notitie over de industrie, „de eerste jaren tot nagenoeg geen lasten voor het bedrijfsleven leiden”.

De volgens de minister „voorzichtige start” heeft te maken met de onzekere economische tijden van dit moment. Daarom krijgt de industrie meer ruimte om CO2 uit te stoten, voordat de nationale heffing wordt opgelegd. Het einddoel blijft gelijk: door de belasting op zogeheten vermijdbare emissies moet de industrie in 2030 veel minder CO2 uitstoten dan nu – 14,3 miljoen ton om precies te zijn.

Grote opluchting bij de industrie? Dat niet. „En niet alleen omdat we niet weten wat het ‘nagenoeg geen lasten’ van de minister betekent”, zegt Hans Grünfeld, die als directeur van de VEMW de energie-intensieve industrie vertegenwoordigt. „We hebben geen idee hoe hoog bijvoorbeeld de heffing in 2025 wordt om het doel van 2030 te halen.”

De vermijdbare emissies worden per branche berekend door naar de uitstoot te kijken van de 10 procent meest efficiënte bedrijven in Europa. Dat is de ‘benchmark’. Aan de hand hiervan wordt berekend hoeveel elk bedrijf in Nederland ‘gratis’ mag uitstoten. Als startpunt kiest Wiebes er nu voor om bedrijven meer ruimte te geven: 20 procent boven de benchmark. Grünfeld maakt zich zorgen. „Die nationale doelstelling van 14,3 miljoen ton moet sowieso gehaald worden, ook als er bijvoorbeeld meer bedrijven in Nederland bijkomen.”

Niet alleen het kabinet ijverde voor een CO2-heffing om tot een andere lastenverdeling tussen industrie en burger te komen. Tijdens de besprekingen voor het klimaatakkoord was een nationale heffing – naast de al bestaande Europese uitstootregels – vooral voor de milieubeweging een harde eis. Directeur Marjolein Demmers van Natuur en Milieu vindt het niet meer dan logisch dat de heffing hoe dan ook tot de al afgesproken reductie moet leiden. „We moeten namelijk het klimaatprobleem oplossen. De CO2-emissie moet naar nul, en daar zijn we naar op weg.”

Organisaties als Greenpeace en Milieudefensie verlieten eerder het overleg omdat zij het klimaatakkoord niet ver genoeg vinden gaan. Demmers is blijven praten. „Maar we zijn zeker niet blij met de versoepeling die Wiebes heeft voorgesteld. Je zal zien dat veel bedrijven, die de eerste jaren niets hoeven te betalen, eerst de kat uit de boom kijken. Die zullen dan later tegen extra hoge kosten oplopen, want het doel in 2030 blijft gelijk.”

Uitstoten steeds duurder

Versoepeling hoeft de industrie in elk geval niet vanuit Brussel te verwachten. Nederland richt zich nu op een reductie van broeikasgassen (vooral CO2) van 49 procent in 2030. De Europese Commissie lijkt af te stevenen op een reductie van zelfs 55 procent. Dan komt er ook een verscherping van het Europese handelssysteem (ETS) dat bedrijven in staat stelt om de noodzakelijke emissierechten te kopen. Omdat het aantal rechten naar verwachting versneld terug gaat lopen, wordt uitstoten steeds duurder.

„Wij zijn erg voor een aanscherping van het ETS”, zegt Grünfeld van VEMW. „Dat zijn goede en terechte prikkels, maar wel prikkels die aan de andere kant van de grens hetzelfde zijn.” Door nationale regelingen gaan volgens hem „de belangen van bedrijven in Nederland en hun aandeelhouders in het buitenland uiteenlopen. Daar ontstaat frictie.”

Die internationale verschillen lopen snel terug, verwacht Demmers van Natuur en Milieu. „Uiteindelijk moet elk bedrijf in Europa fors terug met zijn CO2-emissies, of je dat nu leuk vindt of niet. Dat zie je ook aan de hogere ambities van Europa.” Ze noemt het kortzichtig van de industrie om te denken dat vertrek zin heeft. „Als je nu handelt en investeert in duurzaamheid, houd je langer een betere concurrentiepositie.”

Duidelijk is wel dat ook het kabinet huiverig is om bedrijven weg te jagen met een nationale heffing. Volgens de toelichting op de wet is de heffing zo samengesteld dat „het gelijke speelveld met omringende landen zo min mogelijk wordt aangetast”. Daarin proef je volgens Grünfeld dat de heffing een politiek compromis is: niet alle coalitiepartijen zijn even gespitst op duurzaamheid. „Wij willen ervoor zorgen dat de coronacrisis niet tot vertraging in investeringen leidt. Dat vinden wij op dit moment urgenter dan de rust in de coalitie.”

Hoeveel pijn de CO2-heffing de industrie werkelijk gaat doen, is onduidelijk. Over tarieven wordt in de conceptversie van het wetsvoorstel nog gezwegen. Eerst gaat het voorstel voor advies naar de Raad van State en met Prinsjesdag gaat de wet naar de Tweede Kamer. „Het ministerie wil bedrijven zo snel mogelijk duidelijkheid geven, dat begrijp ik, maar je kan je afvragen of dit geen schijnduidelijkheid is”, zegt Grünfeld over de eerste versie.

Voor Natuur en Milieu is het belangrijkste dat het einddoel voor 2030 overeind is gebleven, ook al zijn nog niet alle cijfers ingevuld. „Wij zijn blij dat het kabinet ondanks alles toch heeft doorgepakt”, zegt Demmers.