Analyse

Raad van State dringt bij kabinet aan op haast om corona-noodwet

Raad van State De coronamaatregelen van het kabinet moeten alsnog een wettelijke basis krijgen, schrijft de Raad van State. Maar dat is erg complex.

De coronamaatregelen moeten een wettelijke basis krijgen.
De coronamaatregelen moeten een wettelijke basis krijgen. Foto Remko de Waal/ANP

Steeds worstelden bestuurders en juristen van de overheid de afgelopen maanden met de noodverordeningen waarin coronamaatregelen werden vastgelegd. Rechten van burgers werden ingeperkt, burgerlijke vrijheden beperkt, het publieke leven platgelegd – maar het moest, en burgers accepteerden het.

Nu gaat het nog lastiger worden: de coronamaatregelen moeten een wettelijke basis krijgen. Al ruim een maand werken juristen van de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken aan zo’n noodwet. Dat het complex is, blijkt uit een advies dat de Raad van State maandag op verzoek van de Tweede Kamer uitbracht. De Raad dringt aan op haast om tot de noodwet te komen. Want de maatregelen om verspreiding van het coronavirus af te remmen beperken de grondwettelijke vrijheden van burgers en missen een juridische basis, aldus de Raad. De noodverordeningen waarin ze zijn vastgelegd, voldoen eigenlijk niet. Noodverordeningen zijn bedoeld voor acute, lokale situaties, zoals demonstraties of voetbalwedstrijden. Níet voor een maandenlange, landelijke vorm van bestuur.

Hoe zit het? Wat mag wel en wat niet? Een overzicht

Huiselijke kring

De Raad is met name kritisch over het aanvankelijk ingevoerde verbod op samenzijn van meer dan drie personen in huiselijke kring. Die maatregel „grijpt diep in de uitoefening van dit grondrecht”. En het verbod op religieuze bijeenkomsten van meer dan dertig mensen is in feite ongrondwettelijk: alleen met een wet mag zo’n beperking worden vastgelegd, niet met een noodverordening.

En toch: dát de overheid zulke verregaande maatregelen nam en vastlegde in noodverordeningen – die direct na ondertekening ingaan – is „verdedigbaar”, aldus de Raad. In de „acute, concrete en levensbedreigende aanvangsfase van de pandemie” waren nou eenmaal algemene regels nodig.

Juist vanwege de fragiele juridische legitimiteit van de coronamaatregelen dringt de Raad van State aan op een noodwet. „Het is duidelijk dat de coronacrisis langere tijd gaat duren en dat de beperkende maatregelen voorlopig nog nodig zullen blijven.” Grondrechten kunnen worden ingeperkt, maar in principe alleen bij wet. En die grondwettelijke beperkingen moeten zo snel mogelijk worden afgebouwd, schrijft de Raad.

Maar de noodzakelijke haast kan op gespannen voet komen te staan met de complexiteit van zo’n wet, blijkt uit het advies. Want het kabinet zal een balans moeten vinden tussen de noodzaak om grondwettelijke beperkingen af te bouwen, en het beschermen van de volksgezondheid. Tussen, met andere woorden, de juridische proportionaliteit van maatregelen en het belang van maatregelen om het coronavirus af te remmen.

Dat is niet de enige juridische uitdaging waar het kabinet voor staat. Grondwettelijke beperkingen mogen niet té algemeen worden geformuleerd, maar door de onvoorspelbaarheid van de crisis moet zo’n noodwet wel flexibel zijn. Een maatregel die nu onnodig lijkt, kan door een toename van het aantal besmettingen later alsnog noodzakelijk worden: een wet moet ruimte bieden voor het ‘opschalen’ van maatregelen.